maandag, 19 maart 2007
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

De achteruitgang van de beschaving sinds de Eerste Wereldoorlog – Deel I

De Eerste Wereldoorlog (hierna WW1) wordt vaak gezien als één van de grote, historisch ingrijpende gebeurtenissen. Er zijn een aantal redenen aan te voeren voor de stelling dat sinds WW1 de beschaving er op achteruit is gegaan en er nog steeds op achteruit gaat.

Dit artikel in twee delen van de hand van Hans-Hermann Hoppe is door mij vertaald uit het Engels; de originele versie is beschikbaar in mp3 formaat op mises.org. Het artikel is van belang om de hedendaagse problematiek en de menselijk correcte oplossing daarvoor als verlengde van het historische perspectief te kunnen plaatsen. Met name vind ik het ook van belang ten behoeve van het vormen van een oordeel over programma’s zoals de drieluik “The Trap”, waarvan de tweede aflevering op 18 maart op de BBC plaatsvond.

Eerst gaan we een economische theorie bekijken, dan wordt deze theorie toegepast op de pre- en post WW1 periode, vervolgens wordt de voorspellende waarde van deze theorie aangetoond.

Overheid is een territoriale monopolist die dwang toepast, een territoriale monopolist die eigendommen schendt. Van alle overheden mag worden verwacht, dat ze tenderen naar groei en dat ze tenderen naar territoriale uitbreiding.
Echter, diverse gedaantes waarin een overheid zich manifesteert, beïnvloeden deze twee tendensen richting interne groei en territoriale uitbreiding.

We kunnen een onderscheid maken tussen twee gedaantes waarin de overheid zich manifesteert. Ik ga het nu hebben over iets dat ik nog niet eerder heb gezien in de literatuur, maar het is een zeer basiek idee. We kunnen het economische onderscheid tussen prive-bezit en openbaar bezit ook toepassen op het instituut overheid.
Een overheid kan privé-bezit zijn, waarin een heerser die overheid bezit en bestuurt als ware het privé-bezit. In het bijzonder bezit hij het recht om de overheid als zijn bezit door te geven aan toekomstige generaties. Daarnaast kan een overheid openbaar bezit zijn, waarin “huisbewaarders” de overheid tijdelijk besturen, echter deze niet bezitten. Omdat deze huisbewaarders de overheid niet bezitten, kunnen ze deze ook niet aan toekomstige generaties doorgeven. Daarnaast heeft een overheid in openbaar bezit het kenmerk, dat er als het ware vrij verkeer in- en uit de overheid is, daar waar dit bij een overheid in privé-bezit niet het geval is.

Vanuit dit verschil tussen overheid als privé-bezit en overheid als openbaar bezit kunnen een aantal zaken afgeleid worden met gebruik van een aantal additionele aannames.

Ten eerste heeft de eigenaar van een overheid in privé-bezit een economisch gestuurd incentive om zijn totale rijkdom te maximaliseren. Dat wil zeggen, dat hij er belang bij heeft om de waarde van het kapitaal dat de overheid van zijn rijk representeert, te conserveren. Aan de andere kant, als een overheid openbaar bezit is, is het economisch belang van de huismeesters niet het conserveren van de waarde van het rijk of de overheid, maar zijn incentive is het om het land zo snel mogelijk te plunderen, want wat de huismeester nú niet plundert, zou hij in de toekomst wel eens nooit meer kunnen plunderen.

De tweede voorspelling is sterk gerelateerd aan de eerste. Omdat men vrij in een overheid als openbaar bezit kan toetreden, waar deze mogelijkheid in het geval een overheid in privé-bezit is zeer beperkt is omdat de bezitter in eigen persoon de overheid overdraagt aan toekomstige generaties, bestaat er in een rijk waarin de overheid privé-bezit is een zeer duidelijk onderscheid tussen diegenen die regeren en diegenen die geregeerd worden. Iedereen realiseert zich zeer duidelijk dat zíj degenenen zijn die regeren, en dat ík degene ben die geregeerd wordt. Aan de andere kant, in het geval van een overheid als openbaar bezit, kun men op de ene dag behoren tot de groep die geregeerd wordt, terwijl men de kans heeft om de andere dag te behoren tot degenen die regeren. Iedereen kan president worden zogezegd; niemand kan de koning worden.
Als gevolg daarvan zal er onder de geregeerden een grotere weerstand bestaan tegen de overheersing door een privé-persoon dan door de overheersing door een persoon die vervangen kan worden door een ander persoon; dus er zal een veel grotere weerstand zijn tegen een regering in privé-bezit dan tegen een regering in openbaar bezit.

De derde voorspelling is dat het minder waarschijnlijk is dat de persoon die een overheid in privé bezit, schulden aan zal gaan dan de huismeester van een overheid in openbaar bezit, want een dergelijke huismeester is niet aansprakelijk voor de schulden die hij in die hoedanigheid aangaat. De gemaakte schulden worden door toekomstige huismeesters betaald, en niet door hemzelf.

De vierde voorspelling is, dat de eigenaar van een overheid in privé-bezit het in grote mate zal vermijden om inkomen binnen de burgerlijke maatschappij te herverdelen. Hij zal inkomen vanuit de burgerlijke maatschappij naar hemzelf toeleiden. De reden waarom hij binnen zijn rijk niet aan inkomsten-herverdeling zal doen, is omdat hij zich realiseert dat dat de economische waarde van zijn rijk vermindert omdat dit onproduktieve gedragingen zal bevorderen. Hij zal daar dus vanaf zien.
Aan de andere kant zal een huismeester in de situatie van een overheid in openbaar bezit, omdat hij herverkozen wil worden, zich enorm inzetten om inkomsten binnen de burgermaatschappij te herverdelen; hij zal immers herverkozen moeten worden door diegenen aan wie herverdeelde inkomsten toegekend zijn, en door hen bepaalde dingen te beloven, weet hij dat dat de grootste kans zal zijn om herverkozen te worden.

De vijfde voorspelling betreft oorlog en buitenlands beleid. Deze is als volgt. Terwijl privé-bezitters van overheden ook een tendens hebben om oorlogen te voeren, en hun territorium te vergroten, hebben privé-bezitters de mogelijkheid om op een andere manier hun territorium vergroten, namelijk door huwelijks-politiek te bedrijven. Hij kan bijvoorbeeld zijn kind laten trouwen met die van een andere heerser, waardoor zijn territorium in één klap een stuk groter wordt. Een heerser kan dus op een vreedzame manier aan meer grondgebied komen, daar waar een huismeester geen andere keuze heeft dan zich in te laten met wederrechtelijke inbezitname middels geweld.

Nu wil ik deze theorie toe gaan passen. Eerst wil ik uitleggen waarom WW1 het historische tijdstip is waarop deze theorie van toepassing kan worden verklaard. Het moge duidelijk zijn, dat impliciet in hetgeen tot nog toe is verteld, de overheid in privé-bezit historisch gezien overeenkomt met de monarchie; overheden in openbaar bezit komen historisch gezien overeen met democratische republieken.

Het grootste gedeelte van de menselijke geschiedenis, voor zover er überhaupt al overheden waren, werd de mensheid bestuurd door koningen. Er zijn een aantal uitzonderingen: Athene in klassiek Griekenland, de Romeinse Republiek, Venetië en Florence tijdens de Renaissance, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, de Cromwell-periode en ook Zwitserland; maar dit waren uitzonderingen, en vaak ook nog korte. Het grootste gedeelte van de wereld werd overheersd door koningen.

De wereld-historische importantie van WW1 bestaat uit het feit, dat WW1 het punt in de tijd is waarop de monarchistische periode wordt verlaten, en de democratisch-republikeinse periode wordt ingeluid. Deze overgang van de monarchistische periode naar de democratisch-republikeinse periode vond plaats vanaf het begin van de Franse Revolutie tot aan WW1.

De eerste grote republiek in Europa was de Franse republiek. Nadat Napoleon was verslagen, zijn door het Congres van Wenen in 1815 de monarchieën in Europa hersteld; echter, de Franse Revolutie had zijn sporen ook achtergelaten. Deze sporen bestaan uit de tendens gedurende de gehele 19e eeuw om stukje bij beetje het stemrecht in te voeren, iets dat tot dan toe niet bestond. In de Franse republiek, waar het universele stemrecht voor mannen in 1848 werd ingevoerd (zelfs de meest fervente voorstanders voor stemrecht in de 19e eeuw waren alleen voor mannelijk stemrecht, de vrouwen werden eerst in de20e eeuw stemrecht toegekend), in Engeland vindt de uitbreiding van het stemrecht plaats in 1832, in 1867, en nogmaals in 1884; rond 1900 hebben bijna drie kwart van alle mannelijke volwassenen het recht om te stemmen. In Pruisen werd het universele stemrecht voor mannen ingevoerd in 1850, dit was echter verdeeld in drie verschillende klassen afhankelijk van de hoeveelheid belasting die men betaalde; in 1871 werd het universele stemrecht voor mannen ingevoerd voor de Bondsdag in Duitsland. In Italië werd het universele stemrecht ingevoerd in 1913, in Oostenrijk in 1907. Verder werd tussen 1890 en 1910 het universele stemrecht ingevoerd in België, Nederland, Noorwegen, Zweden, Spanje, Griekenland, Bulgarije, Servië en Turkije.

Ondanks de ontkrachting van de monarchie tijdens de 19e eeuw, bestaan er slechts twee republieken op het moment dat WW1 uitbreekt: Zwitserland en Frankrijk. Er bestaat dan slechts één grote monarchie die als parlementaire monarchie omschreven kan worden; dat is een monarchie waarbij de macht bij het parlement ligt in plaats van bij de monarch, te weten Engeland.
Na WW1 wordt de gehele wereld democratisch-republikeins vanwege de bemoeienis van de VS met WW1. Vanuit het standpunt van president Wilson was deze oorlog een ideologische oorlog gericht tegen de monarchieën in Europa, in het bijzonder tegen de Habsburgers in Oostenrijk en de Hohenzollerns in Duitsland.

Ten gevolge van WW1 worden de Habsburgers afgezet in Oostenrijk, de Hohenzollerns in Duitsland en de Romanoffs in Rusland. Alle andere landen, zelfs die landen die nominaal monarchieën blijven, zijn niet langer monarchieën omdat alle macht bij de parlementen ligt, én na WW1 wordt bijna overal het universele stemrecht voor zowel mannen als vrouwen ingevoerd. Alle nieuw gecreëerde landen na WW1 worden democratisch-republikeins. De nieuw gecreërde staten zijn Polen, Finland, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Tsecho-Slowakije; al deze landen zijn ontstaan door het uiteenvallen na WW1 van het Hongaarse- en Russische rijk in het bijzonder.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars

Door , topic: Cultuur
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. SpyNose schreef op : 1
    Spy-Nose

    Heel interessant perspectief, André. Prima, dat je dat nu eens vertaald hebt, zodat men wordt geprikkeld na te denken over de reele wereld waarin de mens leeft.

    Maar er zijn ook andere krachten aan het werk geweest die destijds geleid hebben tot WW1, zoals de angst van Rusland, Engeland (monarchieen !), Frankrijk en Italie (Entente), gesteund door de VS, voor een sterk centraal-Europa (Centralen).

    Bovendien speelden culturele en economische verschillen binnen Centraal Europa en binnen de Balkan een belangrijke rol, bijv. de verstandhouding tussen Duitsers en Slaven binnen het Habsburgse Rijk liet alles te wensen over.

    De oude monarchieen leven echter -in zekere zin- nog steeds voort, zoals de Britse, de Spaanse en de monarchieen van de Lage Landen.

    Overigens kan de EU heel goed gezien worden vanuit het perspectief van een poging tot restauratie van het Habsburgse Rijk met steun van het Vaticaan.

    Voor een opmerkelijke en uiterst instructieve historische uiteenzetting over de politieke verhoudingen en ontwikkelingen voorafgaande aan en tijdens WW1 verwijs ik naar het boek van de historica Renate Riemeck: "Midden-Europa, balans van onze eeuw." Leiden: Nearchus C.V., 1990, ISBN 90-73310-02-4

    Ik acht de theoretische onderbouwing van de historische ontwikkeling door Hoppe dan ook nogal eenzijdig, maar misschien op een bepaalde manier wel bruikbaar als historische verklaring.

    Maar welke voorspellingen koppelt Hoppe aan zijn theorie ?

  2. patrick.s schreef op : 2

    WW1 is toch eigenlijk begonnen omdat Duitsland geen kolonies had ,tot tegen stelling Engeland die vrij spel had in de werdeld,en iedereen min of meer zijn wil op kon leggen alleen in zijn belang.
    Engeland zijn strot niet vol kon krijgen
    Duitsland werd groot en van alles op werd gelegd door Engeland,ondanks zijn handel voor zijn voeten lag in de hele wereld.
    En mij idee zijn sporen naar de tweede oorlog leiden in combi met Oost Europa.

    En nou mag je geloven van uit hen.die eenwording van de Eu. Uit voort is gekomen.
    Ze hadden mij betreft bij de E.E.G moeten blijven.en niet de eenwording van de EU. die nu een jasje aan wordt gepreekt die zogenaamd 50 jaar vrede heeft verzorgt .
    maar waren die niet de voor lopers zoals de E.E.G. en die voor mij part had moeten blijven en niet zoals het nu is EU die mij Idee juist naar een Oorlog kan leiden zoals is gezegd door onze politieke elite,nou lekker Eu dan!

    Is het nu einde Romeinse rijk?
    Grts. Pat.

  3. Pierke schreef op : 3

    "Het grootste gedeelte van de menselijke geschiedenis, voor zover er überhaupt al overheden waren, werd de mensheid bestuurd door koningen. Er zijn een aantal uitzonderingen: Athene in klassiek Griekenland, de Romeinse Republiek, Venetië en Florence tijdens de Renaissance, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, de Cromwell-periode en ook Zwitserland; maar dit waren uitzonderingen, en vaak ook nog korte. Het grootste gedeelte van de wereld werd overheersd door koningen."

    Wat mankeerde er dan aan bij deze uitzonderingen? Volgens mij deden die het juist vrij behoorlijk in hun tijd. Volgens mij kun je niet alles terug brengen tot de tegenstelling republiek-monarchie, wat dit stuk wel lijkt te doen.

  4. Andre (auteur van dit artikel) schreef op : 4
    Andre

    [1]
    SpyNose,
    Helaas wordt het volgende deel pas a.s. maandag om 0800 gepubliceerd, dit i.v.m. mijn persoonlijke planning; anders had ik het stuk ineens geplaatst. Dat maakt de discussie er niet eenvoudiger op, maar ik hoop toch dat die er komt.

    De historische vaststellingen van Hoppe vind ik ook nogal kort door de bocht bij vlagen. Ik vraag me echter af of en in hoeverre dat voor de uiteindelijke vaststelling van de problematiek in deel 2 met de daaraan voorgestelde oplossing uitmaakt; ik zie dan ook alvast uit naar je commentaar dienaangaande.

    Wat die voorspellingen betreft: daaruit bestaat zijn theorie in feite. In deel 1 (nu gepubliceerd) wordt de theorie gepresenteerd en toegepast. In deel 2 wordt de voorspellende waarde uitgewerkt. Wat ik daar met name interessant aan vind, zijn de grote verschillen tussen de pre- en post WW1 indicatoren (belastingheffing, werkgelegenheid, inflatie, schuld en rente, wet, wetgeving en misdaad, welvaart, oorlog en buitenlandse politiek).

    Kortom: het is het tweede deel waar de kern van het betoog in zit. Ik vertrouw erop dat ik je nieuwsgierigheid geprikkeld heb 🙂

  5. Andre (auteur van dit artikel) schreef op : 5
    Andre

    [3]
    Pierke,
    Zie ook [4] !