zaterdag, 16 juni 2007
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

De opkomst van belangengroepen

Lobbygroepen en belangenorganisaties van groepen in onze samenleving zorgen alleen maar voor bevooroordeling van de groep zelf.
De grote groep (de meerderheid) heeft hierdoor steeds vaker het nakijken.
Weg ermee.

Bert Haanstra schreef het al eens in zijn boek ‘bij de beesten af’; “Hoe groter de groep aanhangers van dezelfde ideeën, hoe groter de invloed van de groep. Je hebt meerdere van deze groepen, soms zijn de leden van de ene groep het niet eens met de ideeën van de andere groep. De ideeën zijn in strijd met de ideeën van de andere groep, of de leden zijn het gewoon niet eens met de andere groep.” Haanstra bestudeerde dieren om irrationeel menselijk gedrag te kunnen verklaren. Vooral onverdraagzaamheid tussen groepen was voor Haanstra in het dagelijkse leven onbegrijpelijk, maar wel interessant om te onderzoeken.

Ieder mens maakt deel uit van een subgroep, of men dat nu wil of niet: het is zogezegd een fact-of-life. Het is iets wat we allen moeten accepteren en waar we dus – in de meeste gevallen – niet voor gekozen hebben. Ik heb het dan bijvoorbeeld over het opdelen van de maatschappij in werknemer en werkgever, in vrouw en man, in autochtoon en allochtoon, in homo en hetero, in religieus en seculier – meerderheid vs. minderheid. Het zij zo.

Nu is er iets vreemds – of op zijn minst iets eigenaardigs – aan de hand met die opdeling.

Vrijwel elke minderheid heeft een (of meer) belangengroep(en) c.q. pressiegroep(en), die voor ze opkomen. De FNV voor arbeiders, De Simone de Beauvoir stichting voor feministen geëmancipeerde vrouwen en het COC voor homo’s . Op eerste oogpunt valt direct op dat het vooral minderheden – of voorondersteld zwakkeren – zijn, die belangenbehartigers hebben. Het maakt dan niet echt uit wat de gemene deler is. De minderheid heeft steevast wel een pressiegroep en de daar tegenoverstaande meerderheid niet. Toch hoeft een minderheid niet zwak over te komen, ook sterk geachte minderheidsgroeperingen hebben belangen- en pressiegroepen; het PKN voor protestantse Christenen en het VNO-NCW als overkoepelende werkgeversorganisatie.

Gedrag van groepen
Mancur Olson heeft het gedrag van verschillende groepen in de economie onderzocht. Volgens hem zijn groepen er primair op uit om het eigenbelang te verdedigen; “individuals will act collectively to provide private goods, but not to provide public goods.” en “there is systematic tendency for the “exploitation”of the great by the small.” Op zich, zal het niemand verbazen dat groepen het eigenbelang verdedigen, maar laat de strekking eens tot je doordringen. Hij stelt namelijk ook dat kleine(re) pressiegroepen – weliswaar merkwaardig – vaak succesvol zijn.

Olson focust zich in zijn boek ‘the logic of group action’ vooral op de streken van vakbonden en boerencorporaties, maar ook op de bijdrage van kleine en grote landen aan de NAVO. Zijn bevindingen waren verrassend; het kwam er op neer dat volwassen bedrijfstakken vaak bevoorrechte posities vergeven aan bepaalde ondernemingen of belangengroepen. De positie van vakbonden ten aanzien van ontslagrecht, maar ook de Staatsteun aan grote, maar verliesgevende bedrijven als Airbus zijn er goede voorbeelden van. Hoe is het eigenlijk mogelijk dat dergelijke pressiegroepen zoveel invloed uitoefenen op de overheid?

Staatsteun en inflexibele arbeidsmarkten zijn economisch niet te verdedigen; juist het tegengestelde. De samenleving draait dan op voor het voordeel van de (kleinere) groep. Toch zijn dergelijke praktijken dagelijkse kost. Zeker nu de belangrijkste machtsconcentratie in Brussel is samengeklonterd. Wat staat de vrije markt in de weg? Het antwoord: belangengroepen of beter: pressiegroepen.

Zij lobbyen en oefenen actieve invloed uit op beleidsmakers en kunnen daardoor de Staatsbemoeienis in hun voordeel ombuigen. Elke keer als een belangengroep zich beklaagt over een marktexces, dan staat er direct iemand op in de media, politiek of wetenschap met de boodschap; “dit kan niet langer doorgaan, de Staat dient in te grijpen.” Hopla, subsidie, wet, legertje ambtenaren erbij en we gaan weer verder. Niemand, die over dit principe (hopelijk) nog verbaasd over zal zijn. Toch zouden we wel verbaasd – nee, zelfs – verontwaardigd moeten zijn, want al die invloeden van pressiegroepen bij elkaar zorgen voor cumulatieve problemen. Waarom houden grote groepen deze oneerlijke gang van zaken niet tegen?

Alhoewel grote groepen superieur zijn in kracht én aantal, zijn ze véél minder actief, doortastend en georganiseerd als kleine groepen. Hierdoor komen kleine groepen ook beter aan ‘funding’. Mede om deze redenen kunnen kleinere groepen beter lobbyen voor de eigen achterban, dan grote groepen.

Of dat succesvol is? In Brussel zijn zo’n 15.000 lobbygroepen actief voor van alles en nog wat. Laat dat eens tot je doordringen; vijf-tien-dui-zend. (Al claimen de Eurocraten – en hun vazallen -, dat ze transparantie nastreven én de invloed pressiegroepen goed kunnen weerstaan. Hoe? Middels door henzelf gecreëerde papieren tijgers.)

Kleine groepen
Mancur Olson focuste zich vooral op economische onderwerpen en met name winstgeoriënteerde bedrijven. Toch is zijn principe – kleine groepen exploiteren grote groepen – breder toepasbaar. Het is daarbij belangrijk dat mensen zich realiseren dat pressiegroepen namens minderheden invloed uitoefenen, maar lang niet in naam van alle individuen, die zich tot die minderheid (mogen) rekenen. Kortom, het COC spreekt in naam van Nederlandse homo’s, maar lang niet alle homo’s zijn COC lid of voelen zich verbonden met die club. Desondanks, staat het COC bekend als een bekende belangenbehartiger van Nederlandse homo’s.

Er zijn vele soorten lobby’s en ze zijn lang niet allemaal uit op geld (of liever: winst). Geld is voor velen maar een machtsmiddel; geen einddoel, geld creëert macht. Daar zijn pressiegroepen wel op uit: macht of invloed bij regeerders. Wat heeft Heleen Mees bijvoorbeeld aan geld, als ze meer ‘women on top’ of ‘powerfeministen’ wil?

Zo zijn er in Nederland en vooral Brussel (EU) vele lobby’s actief en deze variëren enorm in de doelen, die ze nastreven en de belangen die ze behartigen. Het lobbyprincipe is echter steeds hetzelfde. Iedere groep – die een status aparte kan claimen – heeft een (of meer) lobby’s voor zich werken; rokers, antirokers, vakbondsmedewerkers, vluchtelingenorganisaties, feministen, homo’s, abortusadepten, moslims, ouderen, oliebedrijven, gehandicapten en Armeense genocide ontkenners. Al deze lobby’s oefenen invloed uit op overheidsbeleid door wetten, subsidies en ambtenaren af te tappen voor hun “zaak” of groepsdoel.

Het maakt voor de lobby an sich niet uit of mensen kiezen voor een groep (hobby, beroep, verslaving) of tot een groep veroordeeld zijn (afkomst, seksuele voorkeur, geslacht) – wellicht laat de tweede groep meer de sympathie toe. Wat is er eigenlijk mis met lobbyen, want als we allemaal lobbyen, komen we allemaal voor onszelf op – nietwaar? Fout! Het feit dat groepen handelen uit eigenbelang is nog tot daar aan toe en dat zal (hopelijk) niemand verbazen. Als kleine groepen (‘ingroup’) echter het eigenbelang steeds voorop de gehele samenleving stellen, dan gaat het ten koste van de rest (‘outgroup’). In een democratie zou het ‘algemene belang’ als norm voor besluiten moeten dienen. Helaas is de praktijk weerbarstig.

Positieve discriminatie is goed te verklaren met Olson’s theorie: kleine groepen exploiteren dan de grote groep. Minderheidsgroeperingen krijgen een bevoordeelde status boven niet-minderheidsgroepen. Via politieke invloed verwerft men banen voor de achterban, ten koste van de niet-minderheidsgroepen. Het bedrijfsleven weerstaat vaak dergelijke plannetjes, want zij moeten winst maken: de beste persoon voor de job. De overheid is er des te meer gevoelig voor; anoniem solliciteren geschiedt al, ook al bleek eerder dat Nederlandse werkgevers een zeer geringe mate discrimineren.

De samenleving is totaal niet gebaat om bevolkingsafspiegeling na te streven in organisaties, integendeel. De samenleving is er alleen bij gebaat om de best gekwalificeerde (talent en ervaring) persoon op de juiste plek te plaatsen. Het maakt mij niet uit wie mijn baas is; als het een gehandicapte Zimbabwiaanse immigrante is, maar een steengoede vakvrouw – Prima. Liever haar, dan een overschatte koorbal zonder werkervaring.

Kortom: het kan niet zo zijn dat de samenleving minderheden onder invloed van pressiegroepen bepaalde privileges gunt, die niet voor de meerderheid gelden. Gelijke kansen creëren, daar moeten we als moderne samenleving pal voor staan. Gelijke kansen zijn alleen niet hetzelfde als gelijke uitkomsten, dat is een ongemakkelijke waarheid. Er is maar een systeem denkbaar waarin alle uitkomsten hetzelfde zijn en dat systeem heeft nooit gewerkt: communisme.

Het geheim van de smit: David vs. Goliath
Ik maakte net al een onderscheid tussen de minderheidsgroep en de pressiegroep, die ze vertegenwoordigd. Dat is erg belangrijk, want het verklaart waarom kleine pressiegroepen zo effectief zijn. Kleine pressiegroepen hebben per definitie betere (sub)optimale resultaten, dan grote groepen; ze bereiken namelijk eerder consensus dan grote groepen. Grote groepen moeten zich eerst organiseren, hebben meer onderlinge consensus nodig en bereiken vervolgens een gering (sub)optimaal resultaat. Kortom: grote groepen kunnen zich moeilijk verenigen als pressiegroep. Als ze zich al verenigen, dan zullen individuen in de grote groep vaak constateren, dat de moeite niet loont. Minderheidsgroepen zijn middels ‘mean & lean’ pressiegroepen dus zeker niet per definitie kwetsbaar. In een democratie is dat een fabeltje.

Om minderheden per definitie altijd als ‘zwakkeren’ en ‘kwetsbaren’ te bestempelen is wellicht begrijpelijk vanuit een emotioneel, historisch of gevoelsmatig standpunt, maar vanuit economisch standpunt volstrekt onjuist. Het is zelfs enigszins demagogisch om het te suggereren. Politici weten namelijk heel goed hoe sterk minderheden middels pressiegroepen invloed kunnen uitoefenen; ze zijn er bij betrokken, zeker ter linkerzijde.

Pressiegroepen cultiveren vaak (wellicht met opzet) de status van kwetsbare minderheid en achtergesteldheid; zij doen daar hun voordeel mee. De samenleving speelt onder het mom van politieke correctheid de poppenkast mee. Blijkbaar voelen we ons dan weer gesterkt met een goede daad voldaan. Als het nu allemaal geen kwaad kon, dan kon het me roesten. Maar het zit anders; lobby’s berokkenen de samenleving veel schade toe, omdat ze de regels corrumperen.

Slechte zaak dus.
In de VS zijn pressiegroepen als de ACLU of CAIR erg machtig; een georganiseerde lastercampagne van die clubs kan carrières van ‘not-playing-the-ball’-figuren maken of breken. Je hoeft alleen maar iets naars te zeggen over de betreffende minderheid of het privilege wat ze genieten en *zoef* weg is alles waar je ooit voor gewerkt hebt. Minderheden en pressiegroepen zijn dus nogmaals niet noodzakelijk zwak, integendeel. Er zijn wel individuen, die door hun minderheidsstatus kwetsbaar zijn, dat is wat anders. Een vrouw heeft een zwaarder leven in een bouwkeet, dan op kantoor.

Pressiegroepen zijn egoïstisch
De eerste pressiegroep, die zichzelf opheft na het gerealiseerde doel ken ik niet. Bereikte doelen verdedigen ze als waakhonden; elke inbreuk op verworven privileges is een big no-no.

Nadat de heer De Geus aantrad als minister en stelde dat het wel mooi was geweest met de vrouwenemancipatie kon hij een storm van verontwaardiging tegemoet zien. Nu was De Geus als mannelijke CDA’er gehandicapt om zich tegen kritiek te wapenen, want het is wel erg makkelijk om hem vervolgens ‘vrouw-in-de-keuken’-retoriek te verwijten. Bij het aantreden van het nieuwe Kabinet begonnen feministen bij de veel postmodernere en weldenkende Plasterk direct te zaniken over ‘gender paygaps’, schaamlipcorrectie als zijnde vrouwenbesnijdenis, glazen plafonds, powerfeminisme en al wat niet dan. Het kan natuurlijk toeval zijn, dat oprispingen tijdens beleidsvorming ineens omhoog sijpelen. Belangengroepen hebben dan braaf op hun kans gewacht. (Het doel van de pressiegroep i.c. feministen stel ik ten overvloede niet gelijk aan het – veronderstelde – doel van de vertegenwoordigde groep i.c. vrouwen.

Al die belangengroepen eisen m.i. eerder meer rechten, dan evenveel (laat staan minder) rechten als de rest van de samenleving zonder zich te schikken naar het algemeen belang. Niet alle verschillen tussen groepen kunnen namelijk verklaard worden uit kwade opzet of onrecht. Er zijn goede argumenten te geven waarom sommige groepen minder succesvol zijn dan andere groepen. Beoordeel het individu en niet de minderheidsgroep waarvan deze deel uitmaakt.

Tot op zekere hoogte is discriminatie in praktijk niet te voorkomen. De enige uitzondering is om bijna totalitaire wetten in te voeren, die als middel (dwang en quota) erger zullen blijken dan de kwaal (vrije associatie en ongelijkheid). Er zal bijvoorbeeld stringente controle en straffen noodzakelijk zijn om die wetten te handhaven. Het wordt tijd, dat we de voet in het zand plaatsen uit naam van het algemene belang. Vrije associatie en vrije meningsuiting gaan voor op goede bedoelingen en pressiegroepen. Waarom zouden we als samenleving al die pressiegroepen eigenlijk willen helpen?

Tot slot
Hoe kan de invloed van pressiegroepen ingeperkt worden?
1) De stringente Europese anti-discriminatiewetten moeten absoluut ingetrokken worden. Het kan niet zo zijn, dat Eurocraten zich gaan bemoeien met het inperken van de vrijheid van meningsuiting van deelstaten. Daar is antidiscriminatiewetgeving namelijk deels mee in strijd. Antidiscriminatiewetten dragen iets totalitairs in zich; deze wetten bepalen wat je wel en niet mag denken, wat je wel en niet mag zeggen c.q. schrijven, waar en hoe je dat mag uiten, welke mensen er goed en fout over denken, onder welke voorwaarden, enzovoorts. Het gaat allemaal veel te ver. Als mensen hun mening niet mogen uiten, dan werkt dat op de lange termijn altijd in het nadeel. Gemuilkorfde burgers polariseren; antidiscriminatiewetgeving helpt discriminatie verminderen, maar zorgt er niet voor dat mensen elkaar naderen. Dat kan alleen als mensen in contact blijven en dus hun (ongezouten) mening mogen uiten.

2) Verklein de Staat. Hoe kleiner de Staat, hoe minder regelgeving, subsidie en beschikbare ambtenaren. Pressiegroepen kunnen alleen invloed uitoefenen op beleid, als ze die ruimte geboden wordt. Beperk die ruimte. Het mooie is dat we daar dan – uiteindelijk allemaal – beter mee af zijn.
————————————————
Ingezonden door Jimmy

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars

Door , topic: Algemeen
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Kranige_Karel schreef op : 1

    Prima artikel! Overigens de 7 speerpunten: ‘De ouderengroep’

    www.vrijheidsstrijde…

  2. Armin schreef op : 2

    Het probleem is niet die groepen. Die groepen zijn een uitstekende zaak, want ontstaan vrijwillig en behartigen hun eigen belangen. Niks mis mee dus.

    Het probleem is dat de staat die groepen daarna via wetgeving uitzonderlijke macht geeft. Denk aan vanbonden en bindende CAO’s. Denk aan reizigerorganisaties die verplicht bij de aanbesteding van OV moeten zitten. Etc.

    Maar goed, wie het artikel goed leest, ziet dat ze dat eigenlijk ook zeggen. Alleen de eerste allinea zou geschrapt moeten worden, want is onjuist.

  3. Hub schreef op : 3
    Hub Jongen

    [2] Inderdaad is met "samenwerken" en belangengroepen helemaal niets mis. Zolang ze geen geweld initieren om "goodies" te verkrijgen waar ze geen recht op hebben, of die ten koste gaan van anderen.