Ik moet toegeven dat het een beetje een bang afwachten was, maar na 66 reacties heeft iemand de lont uit het kruitvat gehaald. Niemand heeft mijn hoofd verworven. Vooralsnog. Tijd misschien om de nieuwe natuurrechtelijke theorie uit de doeken te doen.
De opdracht was dus een bewijs te leveren dat er collectieve rechten bestaan. Dat het algemeen belang voorrang kan hebben op het individuele. En dat er een aanvaardbare rechtsbron kan bestaan voor de staat. En zolang niet is bewezen dat iets bestaat, zo lang bestaat het niet.
Waar komen rechten vandaan? Wat zijn de rechtsbronnen? Wat zijn rechten? Rechten zijn aanspraken die een zekere geldigheid genieten. Grosso modo kunnen we zeggen dat rechten door mensen verleend worden of niet. In het eerste geval spreken we van “politieke rechten”, in het tweede van “natuurrechten”.
Maar wat verleent er geldigheid aan bepaalde aanspraken? Sommigen denken dat recht uit fysieke macht voortvloeit. Je hebt recht op je eigendom zolang je er in slaagt het te verdedigen en niemand het je afneemt. Je hebt het recht om te leven zolang niemand je doodt. Maar die betekenis van het woord recht beschrijft alleen wat er gebeurt – zij is semantisch verwant aan de stelling dat er geen rechten bestaan, d.w.z. aanspraken die om de een of andere reden geldig zijn en die leiden tot een aanspraak op restitutie wanneer zij worden geschonden.
Anderen zeggen dat rechten hun geldigheid ontlenen aan een luisterrijk vertoon. Kroning, ridderschap, notariële authentificering… dan heb je recht op dat bestuursbevoegdheid, op eigendom dus. Nog anderen zeggen dat een recht geldigheid verwerft als een meerderheid van een bepaalde groep haar wettigt.
Al deze visies hebben één ding gemeen: het zijn politieke rechten, rechten die door andere mensen worden “gegeven”. Maar kunnen zij die deze rechten verlenen wel bewijzen dat de rechten die zij verlenen geldig zijn? Zijn deze “rechten” niet per definitie arbitrair? Wat zij in feite geven is de belofte om tijdelijk en voorwaardelijk af te zien van het gebruik van geweld. Politieke rechten falen ook op het criterium van de universaliteit en ze zijn ook niet klasseloos vermits zij de mensen indeelt in een klasse van rechtgevers en een klasse van rechtsonderhorigen.
Te stellen dat rechten niet bestaan wanneer zij niet zijn afgekondigd is volstrekt onhoudbaar. Ik vraag u wie met enige zin voor werkelijkheid getuige kan zijn van een roof, een verkrachting of een moord en kan zeggen dat geen recht geschonden is.
Om al deze redenen moeten rechten natuurlijk zijn.
Als natuurrechten ons niet zijn verleend door mensen en mensen ons dus niet kunnen zeggen wat onze rechten zijn, dan moeten we die rechten zelf ontdekken. Natuurrechten worden deductief afgeleid. Eerst vindt men een fundamentele waarheid over de mens, zoals bijvoorbeeld dat een foetus zou instemmen met gelijke rechten (John Rawls), of dat God ons heeft bepaalde onvervreemdbare rechten heeft geschonken (Jefferson en co). Degene die de waarheid naar voor schuift draagt natuurlijk de bewijslast. Hij moet aantonen dat iedere foetus zou instemmen met gelijke rechten of dat God de mens rechten heeft gegeven. Dat is een zware, en vaak onmogelijke taak.
Laat ons veronderstellen dat hij deze eerste taak heeft volbracht. De rechtstheoreticus moet vervolgens aantonen dat zijn redeneren vanuit de bewezen premisse naar een bepaald recht, logisch correct is. Dit bewijs, zoals het bewijs dat er een oneindig aantal priemgetallen bestaat, moet ontdekt worden. Daar waar de geldigheid van deductieve redeneringen vrij overtuigend vastgesteld kan worden in de wiskunde, is dat veel moeilijker wanneer we het hebben over concepten als “gelijke rechten” of “God”.
Maar laat ons verder veronderstellen dat onze afkondiger ook dit bewijs weet te leveren en derhalve een geldige natuurrechtelijke theorie heeft ontdekt. Zijn theorie is onvermijdelijk in strijd met gelijk welke politieke rechtstheorie die er op aarde bestaat. Een van beide moet wijken. Aangezien politieke rechten arbitrair zijn om verschillende redenen, niet in het minst het persoonlijke belang van de rechtgevers, terwijl de natuurrechtelijke theorie vertrekt van een feitelijke vaststelling over de mens, is het duidelijk dat de politieke rechtstheorie moet sneuvelen.
Natuurrechten kunnen conceptueel geclassificeerd worden als “gegeven rechten” en “verworven rechten”. Een theorie die gebaseerd is op “gegeven rechten” is onaanvaardbaar omdat dit of een rechtgever veronderstelt of een is-ought probleem veroorzaak. Aangezien de rechtgever geen mens kan zijn (het gaat om natuurrechten) blijft alleen God over. En met Hem hebben we een onvoorstelbaar bewijsprobleem. Dat natuurrechten niet uit de natuur van fysieke dingen kan worden afgeleid is door David Hume overtuigend beargumenteerd.
De enige mogelijke conclusie is dat in een aanvaardbare rechtstheorie, rechten “verkregen rechten” moeten zijn. Een mens ontstaat op een gegeven ogenblik zonder enig recht en verwerft op de een of andere manier rechten.
Volgende week: de premisse en de deductie
(Bronvermelding op het einde van de uiteenzetting)




[86] Wat is nu ‘identiteit’? Jij lijkt twee definities door elkaar te gebruiken. De wet van identiteit is een leuke, ledige wet. Die niks zegt over de werkelijkheid.
Vervolgens gebruik je ‘identiteit’ als ‘set van eigenschappen’. Daar betreden we dan de werkelijkheid.
Maar je vervolgt met een, twee of meer identiteiten. Wat kan dat in vredesnaam betekenen?
Nog even en je begint over ‘essentie’, het ‘ding an sich’ en de ‘ware aard’ te praten
Identiteit is een woord te veel.
Dingen hebben eigenschappen. That’s all. En mensen delen eigenschappen uit, dat doen die dingen niet.
Een nieuw ontdekte eigenschap kan strijdig zijn met een eerder ontdekte eigenschap. Net zo makkelijk. Dan moet je gewoon wat dieper gaan nadenken.
[90]
Maar bij natuurwetten kan de mens bij de natuur terecht.
Voor een rechtsregel voor mensen kan de mens niet bij de natuur terecht, want, welke natuur?
Zonder God heeft de mens alleen de mens beschikbaar om een natuurrecht te kunnen vaststellen. En aangezien ik meen dat de mens elk recht met voeten kan treden, geloof ik niet in het bestaan van een natuurrecht, dat per definitie niet door mensen met voeten getreden kan worden.
[89]
Dat laatste is nogal Nieuwtestamentisch. Witte gij da?
[93] Da ik ‘t niej wist.
Nooit gelezen.
Verstandige schrijver kennelijk:)