woensdag, 17 september 2008
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Het stinkt in de Haagse nomenclatura

Hier volgt een brief van onderzoeksjournalist Peter Siebelt aan premier Jan Peter Balenende  betreffende Jet Bussemaker (PvdA), staatssecretaris van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport, die voor zichzelf spreekt.
 
Aan de minister-president, Jan Peter Balkenende.
——————————————————=
Geachte heer Balkenende,

Op 3 september 2008 stelden de VVD-Kamerleden Van Miltenburg en Neppérus drie schriftelijke vragen*) aan u over de contacten van staatssecretaris Bussemaker met de links extreme organisatie Jansen & Janssen. Drie vragen die u, ondanks het enorme controle- en veiligheidsapparaat dat u ter beschikking staat, nu – veertien dagen later – nog steeds niet heeft beantwoord. Dit is voor mij als deskundige op het gebied van links-extreme organisaties, en zonder een immens controleapparaat ter beschikking, een onverteerbare zaak.

Mede omdat u de affaire rond minister Jacqueline Cramer op een nogal gemakzuchtige wijze heeft afgehandeld, heb ik inzake de huidige zaak Bussemaker maar vast het voortouw genomen om het Nederlandse publiek over het een en ander nader te informeren.

In afwachting van uw reactie op de vragen van de VVD verblijf ik,
hoogachtend,  Peter Siebelt

——————–
*) (Kamervragen VVD):
1. Bent u bekend met de tv-uitzending over de betrokkenheid van staatssecretaris Bussemaker met de organisatie Jansen en Janssen; een organisatie die zich nog steeds zeer kritisch opstelt ten opzichte van de politie?
2. Wat is uw oordeel over deze betrokkenheid van de staatssecretaris, hoe was haar houding toen, hoe kijkt ze er nu tegen aan en hoe is uw reactie daarop?
3. Heeft u kennisgenomen van de opmerking in de uitzending dat staatssecretaris Bussemaker deze zaken aan u heeft gemeld als antwoord op uw vraag bij de Kabinetsformatie of er nog relevante feiten waren uit het verleden of het heden die mogelijkerwijs het Kabinet konden schaden? Op basis waarvan heeft u geconcludeerd dat er geen probleem was? 
————————————- 

WIE BOTER OP ZIJN HOOFD HEEFT KAN MAAR BETER UIT DE ZON BLIJVEN

Sommigen van ons wisten het al: Jet Bussemaker, onze huidige staatssecretaris van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport, is een ex-kraakster. Maar wat we niet wisten was dat zij van 27 september 1991 tot en met 1 maart 1996 bestuurslid is geweest bij Res Publica, een stichting die het links-radicale onderzoeksbureau Jansen & Janssen (J&J) ondersteunde, en tevens voor hen als een soort financieel beheerder functioneerde. “Ik heb daar nooit een geheim van gemaakt”, aldus Bussemaker in het actualiteitenprogramma Nova.

Aardig gezegd, maar waarom werden Bussemakers werkzaamheden voor deze organisaties zorgvuldig voor het grote publiek verzwegen? Zo is er tot september 2008, behalve in een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, nergens ook maar één kleine vingerwijzing naar deze verbintenis te vinden. Niet in haar officiële CV, niet in de vele levensbeschrijvingen over haar, niet in andere publicaties in de media, en niet op belangrijke websites, zoals de website van haar ministerie, haar partij (de PvdA), Wikipedia, parlement.com of regering.nl. Zelfs op haar eigen weblog is er niets over te vinden.

Frappant. Waarschijnlijk geldt hier het spreekwoord: “Wie boter op zijn hoofd heeft kan maar beter uit de zon blijven.”

Dat Bussemaker betrokken was bij J&J hoorden we pas nadat de VVD op 1 september 2008 uitleg eiste van premier Jan Peter Balkenende, en het weekblad Elsevier erover publiceerde.

Volgens Balkenende had Bussemaker bij haar aanstelling haar betrokkenheid bij J&J gemeld, en daarbij gaf ze aan altijd binnen de grenzen van de wet te hebben gehandeld. Daarom vond hij het verleden van Bussemaker geen belemmering voor haar benoeming tot staatssecretaris en heeft het daarbij gelaten.

Daarna volgden er enkele dagen van ijzige stilte. Het journaille liet de zaak liggen. Na de mediahype rond Wijnand Duyvendak en Jaqueline Cramer waren kreten als ‘een heksenjacht op links’ niet van de lucht. Daar wilde men liever afstand van nemen; een dergelijke kretologie zou uiteindelijk hun geloofwaardigheid aan hebben kunnen tasten.

Het was de journalist Stan de Jong die voor het weekblad Nieuwe Revu een onderzoek naar J&J verrichtte. Hij waagde die stap wel en kwam na enkele dagen met een kort verslag. Hij begon met de opmerking: “De berichtgeving over de linkse stichting waarin staatssecretaris van Volksgezondheid Jet Bussemaker actief was, waaide wel heel snel over.” De Jong vroeg zich af welke stichting het was: “Wie zaten er nog meer in? En wat deed deze stichting?” Daarna gaf hij een korte toelichting.

“Dit bureau schreef onder meer publicaties – zoals De Tragiek van een Geheime Dienst – waarin de namen en adressen van medewerkers van inlichtingen- en veiligheidsdiensten werden afgedrukt. Veel van deze medewerkers werden daarop thuis lastiggevallen door extreemlinkse activisten.

Uit deze gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat Bussemaker van september 1993 tot maart 1996 penningmeester was van de in Amsterdam gevestigde stichting Res Publica, die als formele doelstelling zou hebben het ‘organiseren van beurzen, tentoonstellingen, braderieën e.d.’. Opvallend zijn de namen van een aantal medebestuursleden, zoals Johannes (Jan) van Buuren, die samen met Wijnand Duyvendak aan de wieg stond van uitgeverij Ravijn, die o.a. publicaties van J&J verzorgde. Van Buuren, destijds huisgenoot van Duyvendak, werd in 1988 gezocht door de politie wegens mogelijke betrokkenheid bij de terreurgroep RaRa die verantwoordelijk was voor brandstichtingen op Makro-vestigingen en aanslagen op Shell-stations. (…)

Een andere opvallende naam bij Res Publica is de in 1960 in Vught geboren Maria Goretti Christina van Riet, die in 1996 secretaris werd. Van Riet zat samen met Duyvendak in de antimilitaristische organisatie Onkruit, een ondergrondse groepering die tot midden jaren tachtig inbraken deed in kazernes, commandobunkers en militaire opslagplaatsen. In 1984 werd Van Riet samen met Duyvendak op heterdaad betrapt tijdens een inbraak in het MIBO-complex in Dubbeldam. (…) Duidelijk is dat Bussemaker, die in een kraakpand woonde en voordat zij lid werd van de PvdA actief was in GroenLinks, tenminste heel dicht in de omgeving van harde activisten zat,” aldus Stan de Jong.

“Harde activisten”, een bescheiden formulering. J&J was een zéér schimmig groepje radicalen die jarenlang op smerige wijze de jacht opende op functionarissen van politie- en inlichtingendiensten. Een club die nauw verbonden was met het links-radicale blad Bluf! – het blad dat recentelijk veel aandacht kreeg in de media naar aanleiding van het schandaal rond het ex-Tweede Kamerlid van GroenLinks, Wijnand Duyvendak. J&J was een club die ijskoud les gaf in terreur aan ‘terroristen’ in binnen en buitenland.

Binnen de kraakbeweging wist bijna iedereen wie J&J was en waartoe het bureau in staat was, zo ook Jet Bussemaker. Zij wist wel degelijk bij welke oude kameraden zij in september 1991 in dienst trad. En ze kwam niet zomaar ‘even langs’ als bestuurslid en penningmeester. Nee, ze bleef er 54 maanden (vier en een half jaar) direct bij betrokken.

Balkenende vond haar verleden geen belemmering voor haar huidige positie, maar hoe denken de Nederlandse burgers hierover? Hoe denken zij over hun staatssecretaris, wanneer ze een beetje meer over haar achtergrond weten? Laten we even terug gaan in de tijd.

Toen Bussemaker politicologie ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam, raakte ze al snel betrokken bij de kraakbeweging. Op zich niet zo bijzonder omdat de universiteit een bolwerk was van links-radicale activisten en linkse professoren; een soort kraamkamer voor krakers, hackers, voorstanders van de opstand in Nederland, de revolutie in de Derde Wereld, het feminisme en ‘vrouwenstudies’.

Tijdens haar studie woonde Bussemaker een aantal jaren in een enorm kraakpand achter het Paleis op de Dam, het voormalig NRC Handelsblad complex aan de Voorburgwal in Amsterdam. Het gebouw was al in maart 1978 gekraakt, maar de daaropvolgende strenge winter zorgde ervoor dat de meeste krakers ergens anders een onderkomen zochten. Maar Bussemaker was niet zo’n doetje en sloot zich aan bij een groep krakers die van meet af aan beter waren georganiseerd en die het gebouw in mei 1979 herkraakten. Al snel groeide haar groep uit van ca. veertig tot tachtig mensen. Een groep waarvoor de gemeente Amsterdam het letterlijk en figuurlijk in de broek deed. Dat bleek wel toen de gemeente enkele dagen voor de kroning van koningin Beatrix een wit voetje bij ze probeerde te halen, en in april 1980 bekend maakte dat zij het gebouw ging aankopen voor 3,7 miljoen gulden. Een toezegging die zij kort daarop nakwam zonder overleg vooraf en zonder enige verplichting voor de krakers.

 “Ik ben toen ik ging studeren in 1979 in het kraakpand van het voormalig NRC Handelsblad in Amsterdam terecht gekomen, vlakbij de Dam; daar woonde ik met andere studenten, punks, lesbische woongroepen (…) Ik woonde daar ook bij de kroning van Beatrix in 1980. Als niet helemaal gewenste buren kregen we allemaal een oranje kaart, door ons onmiddellijk omgedoopt als krakers-pas. De scherpschutters mochten van ons niet op het dak, die stonden dus op andere daken op ons afgesteld,” aldus Bussemaker in 2006 in het blad Lava van de Jonge Socialisten van de PvdA.

In de studiegroep politicologie aan de Universiteit van Amsterdam raakte ze al snel bevriend met een aantal extreme activisten uit de kraakbeweging. Eén van hen was Eveline Lubbers, medeoprichter van Bluf! en J&J, en langdurig redactielid van beiden.

Door de jaren heen klaarden beide dames menig klusje. Zo startte het duo samen met een aantal anderen – waaronder Selma Leydesdorff (de bedenkster van de naam Dolle Mina) – in 1983 een project ‘Het politieke verzet van bijstandsvrouwen’. Een belangrijk doel van het project was het inkomen van vrouwen die actief waren binnen de beweging veilig te stellen. In 1985 resulteerde het project onder meer tot het publiceren van het boek ‘Zielig zijn we niet.’ De uitgave werd gesubsidieerd door de Universiteit van Amsterdam en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In aansluiting op het project werd Bussemaker van 1987 tot 1988 onderzoeker en onderzoeksprogrammeur (verzorgingsstaat, uitkeringsgerechtigden en politieke potentiëlen) aan diezelfde universiteit.

Aardig om te weten is dat Bussemaker van 1986 tot 1988 ook wetenschappelijk medewerker was van de Stimuleringsgroep Emancipatieonderzoek bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het ministerie dat menigmaal werd aangepakt door haar kameraden. Vooral omdat het ministerie wilde korten op hun uitkeringen. Dat moest gestopt worden, op welke wijze dan ook.

In Bluf! (nummer 177, 4 juli 1985, pagina 7), werd een lijst afgedrukt met de namen van ambtenaren die bij het ministerie werkzaam waren, inclusief hun privéadressen en telefoonnummers, met de navolgende oproep: “Hoe je iemand op zijn/haar verantwoordelijkheid aanspreekt is ieders eigen keuze, van opbellen en om inlichtingen vragen tot gezellig op de koffie gaan of erger. Het is maar net waar ze verantwoording voor dragen.” Waar dat toe leidde hebben we recentelijk uit de affaire van Duyvendak mogen vernemen, alleen waren het toen ambtenaren van het ministerie van Economische Zaken die de trieste gevolgen mochten ervaren.

In deze turbulente tijd schreef Bussemaker ook het krakersboek ‘Wij blijven lachen – De Beweging met ‘Bluffers’, waaronder Geert Lovink en Jo van der Spek, medeoprichters en jarenlange medewerkers van Bluf!.

Het ministerie bleef doelwit van de activisten, hetgeen enorm escaleerde toen RARA in de nacht van 30 juni op 1 juli 1993 een bomaanslag pleegde op de derde verdieping van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in Den Haag.

De daders zijn nooit gepakt, ze hadden de afgelopen jaren hun lesje geleerd, vooral nadat hun voorgangers Duyvendak en Van Riet bij een inbraak op heterdaad waren gepakt. Toen ging de kraakbeweging er steeds meer vanuit dat politie- en inlichtingendiensten door infiltratie binnen hun gelederen op de hoogte waren geweest van hun plannen. Dat moest een halt worden toegeroepen en het werk van deze diensten moest kapotgemaakt worden.

De politie- en inlichtingendiensten hadden een aantal malen op succesvolle wijze acties van de kraakbeweging gefrustreerd. Paranoia vierde hoogtij, ook bij een groot aantal studenten op de universiteit. 

Binnen het Bluf!-kamp stroomden de verzoeken binnen van actiegroepen, die benieuwd waren hoe ze de politie en inlichtingendiensten van zich af konden houden of aan langdurige gevangenschap konden ontkomen. Voor J&J was dit een kolfje naar hun hand.

In 1984 namen Peter Klerks (momenteel lector aan de politieacademie in Apeldoorn) en Eveline Lubbers het initiatief tot de oprichting van J&J. De beweging kreeg zo  haar eigen ‘spionagedienst’.

In die periode studeerden behoorde Bussemaker tot hetzelfde groepje studenten politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Jansen & Janssen, een geschiedenis die zijn weerga niet kent.

In samenwerking met andere radicalen begonnen Lubbers en Klerks de bevoegdheden, organisatiestructuur en werkzaamheden van politie- en inlichtingendiensten en beveiligingsfirma’s tot in detail in kaart te brengen. De resultaten hiervan werden via hun eigen kanalen binnen de beweging gepubliceerd. Blootleggen wat verborgen werd gehouden was het startmotto. Hoe dat gebeurde interesseerde ze geen barst. Inbreken, verzamelen en publiceren gingen als het ware hand in hand. Daarnaast achtervolgden ze iedereen die maar enigszins bedreigend kon zijn voor de activiteiten van hun achterban.

De paranoia voor BVD-infiltratie was zo groot dat men meedogenloos de jacht opende op kameraden die ervan verdacht werden dat ze als infiltrant voor politie en inlichtingendiensten werkten. Dat mocht onder meer Joop de Boer ervaren; hij werd ontvoerd en gemarteld totdat hij bekende voor de BVD te werken. Maar ook kameraden die geheel onschuldig waren, werden slachtoffer van deze paranoia. Bijvoorbeeld Edward Neering. Op 20 januari 2008 schreef hij op zijn weblog over zijn ervaringen als volgt: “Dieptepunt destijds was dat ik ooit door de medewerkers van Res Publica werd beschuldigd en benaderd als BVD-infiltrant (nu AIVD).” De schrik zit er nog goed in na zoveel jaren, want desgevraagd wilde hij de zaak niet verder toelichten.

‘Permanent ondermijnend bezig zijn, zo heb ik ooit mijn doel met J&J geformuleerd’, liet Lubbers via haar website weten. Op haar eigen website voegde ze daar nog iets aan toe: ‘In de jaren tachtig ondersteunde J&J het openbaar maken van geheime informatie die bijvoorbeeld door inbraken bij politie of militaire objecten (door Onkruit) vrijkwam.’

Zonder die geheime informatie was het J&J waarschijnlijk nooit gelukt een invloedrijke positie te verwerven binnen de beweging. Zeker niet in de beginjaren tachtig, toen het niet eenvoudig was om iets boven water te krijgen over bijzondere afdelingen van de politie. Dit probleem werd op ingenieuze wijze opgelost. Naar eigen zeggen behoorde ‘[A]ctietuig dat een politiebureau wil bestormen’  tot de doelgroep van J&J. Desgevraagd weigerden ze om als ‘bewegingspolitie’ te fungeren. De actiegroepen zelf werden niet onderzocht. Dat was niet hun taak, vond Lubbers: “We worden vaak gebeld: of we iets over RaRa en zo weten. Dat doen we dus niet.” Na deze opmerking hield zij zich van de domme en liet erop volgen: “Ik weet het ook niet.”

 J&J leverde informatie aan iedereen die er wat zinnigs mee kon doen, ook aan buitenlandse extremisten die in Nederland onderdak zochten. J&J had het antwoord, voor elk niveau van actie stonden ze klaar, ook voor terreuracties waarbij het hoogste niveau van voorbereiding, voorzichtigheid en zorgvuldigheid hoorde. Acties waarbij de daders vooraf of achteraf een politieke boodschap achterlieten of een aanslag claimden door middel van een persverklaring. Ook voor hen was J&J de vraagbaak, de voorlichter. Ze gaven advies over:

  • Hoe schrijf je een persverklaring na een aanslag zonder dat de opstellerachterhaald wordt?
  • Wat moet je doen als je benaderd wordt door de BVD?
  • Hoe kun je het beste langdurige verhoren doorstaan?

Ook voor het saboteren van politieonderzoeken gaf men nuttige tips:

  • Schildpad-methode: luister niet naar wat ze zeggen, zet je verstand op nul, toon op geen enkele manier interesse, pak een pen of elastiekje als speeltje. Doel van de methode is jezelf te beschermen, de smeris wordt alle mogelijkheden ontnomen grip op je te krijgen.
  • Destructie-methode: houd je in alle rust bezig met het afbreken van koffiekopje-oortjes, verbuigen van lepeltjes, losdraaien van de telefoon of het draaien van nummers; verbuig de armpjes van hun typemachine of morst je koffie over je dossier.
  • Agressie-methode: verscheur je dossier, trekt het telefoonsnoer stuk, verniel het portret van het gezin van de rechercheur, laat je niet naar de cel terugbrengen, pis tegen het bureau. Doel: het blijk geven van je algehele minachting voor het politiegebeuren, het maakt duidelijk dat ze met jou niet hoeven proberen te sollen.

Bureau J&J kon op ongelooflijk brutale wijze jarenlang zijn gaan, zonder noemenswaardige tegenstand van regering of justitie.

In die tijd lag de kracht van figuren als Bussemaker, Lubbers, Duyvendak en andere betrokkenen in de schimmige structuren en rolverdeling die men gecreëerd had. Een buitenstaander kon door de bomen het bos niet meer zien.

 Een klein voorbeeld:

  • Redactieleden van Bluf! braken in om vertrouwelijk documenten te bemachtigen en publiceerden hierover in hun eigen blad.
  • Leden van J&J, waaronder Lubbers of Fjodor Molenaar, coördineerden overleg tussen radicale groepen, adviseerden, onderzochten en analyseerden (gestolen) documenten.
  • De uitgeverij Ravijn, met in het bestuur en redactie Lubbers, Duyvendak, Geert Loovink, Van Buuren, publiceerde en verspreidde de publicaties.
  • Res Publica – met onder meer bestuursleden als Bussemaker, Fjodor Molenaar en Van Buuren – beheerde de opbrengsten van de publicaties of andere inkomsten.

Wetenswaardig is de wijze waarop Ravijn is ontstaan. Na het opheffen van Bluf! was er ongeveer twaalfduizend gulden overgebleven. Met dat geld werd Ravijn opgezet. Veel mensen van Bluf!, waaronder Duyvendak en Lubbers gingen over naar Ravijn. Lubbers en Duyvendak kregen vaak stukken ‘aangeboden’ die eigenlijk geen boek waren. Ravijn wilde dit toch publiceren. Maar uit de ervaring met onder meer het publiceren van gestolen documenten had men geleerd dat het noodzakelijk was om een duidelijke scheiding tussen redactie en schrijvers te houden. “Belangenverstrengeling gaf ingewikkelde problemen”, aldus Lubbers en Duyvendak tijdens een bijeenkomst van radicalen.

Alle voornoemde personen waren weliswaar onlosmakelijk met elkaar verbonden door hun verleden, opleiding, activiteiten en dubbele petten, maar waren voor justitie zo goed als ongrijpbaar door de taakverdeling en onafhankelijkheid van de feitelijk los van elkaar opererende stichtingen waarin ze actief waren.

Ondanks, of juist door het voornoemde rijst op dit moment bij enkelen de vraag of de situatie binnen de club van Lubbers nog hetzelfde was toen Bussemaker in september 1991 aantrad bij Res Publica/J&J.

Nee, ze waren door ervaring wijzer, sluwer en nog ongrijpbaarder geworden. Toen Bussemaker aantrad heerste er een gemengde sfeer. Een sfeer van gespannenheid omdat bijvoorbeeld de uitgeverij Ravijn door middel van een gerechtelijke uitspraak was gedwongen om te stoppen met het uitgeven van het boek De Tragiek van een geheime Dienst. Maar ook een jubelsfeer, omdat men de BVD een enorme hak had gezet.

Eerst even over het boek De Tragiek van een geheime Dienst dat in november 1990 was verspreid door Eveline Lubbers en haar kameraden. In Het Parool van 17 november 1990 zegt Lubbers: “In totaal denk ik dat we enkele duizenden boeken hebben verkocht.” Het boek was een soort vervolg op eerdere publicaties over politie- en inlichtingendiensten; bijvoorbeeld in het boek Speuren bij de bespieders of de Stillenregistratie in Bluf! Ditmaal was de werkwijze van de politie-inlichtingendienst in Nijmegen en omgeving tot in detail in kaart gebracht. Maar de grootste rel veroorzaakte de publicatie van de foto’s, privéadressen, telefoonnummers, autotypes en kentekennummers, burgerlijke staat, activiteiten in het privéleven en eventuele kinderen van inlichtingen- en politiemensen in Nijmegen. De politiefunctionarissen waren geschokt. Door de publicatie konden zij hun werk niet meer doen en werden hun gezinnen bedreigd.

Samen met de gemeente Nijmegen spande de politie een kort geding aan tegen Ravijn en andere verspreiders van het boek. Maar de schrijvers konden niet aangeklaagd worden, omdat hun identiteit onbekend was. “We weten ook niet wie de schrijver is. Op een gegeven moment stond hier een partij in dozen verpakte boeken op de stoep”, beweerde een medewerker van Ravijn in de Volkskrant van 7 november 1990.

Ten slotte werd Ravijn toch veroordeeld en bleef het met een grote financiële strop zitten. Om dat gat te dichten, en om door te gaan met het uitgeven en verspreiden van dit soort publicaties, werd er zeker tot eind 1992 binnen de beweging gevraagd om gul te storten op het gironummer van Ravijn. Wetenswaardig is dat de Nijmeegse groep krakers die mee hadden gewerkt aan het boek (waaronder de op 15 november 2005 vermoorde Louis Sévèke) later een soort ‘zelfstandige’ afdeling werden van J&J, onder de naam Onderzoeksbureau Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (OBIV).

Dan nog even over de jubelsfeer. In de periode dat Bussemaker bij J&J betrokken was gingen de activiteiten tegen justitie, politie en inlichtingendiensten gewoon door, alleen was de koers iets meer verlegd. Men ageerde nu tegen het vluchtelingenbeleid.

Opvallend is dat Bussemaker op dat moment niet alleen de pet op had van Res Publica, maar ook een tweede pet, die van haar lucratieve uitvalspost: de Universiteit van Amsterdam. Daar werkte ze onder meer als toegevoegd onderzoeker faculteit politieke en sociaal-culturele wetenschappen, deeltijd universitair docent vakgroep politicologie en bestuurskunde, en werkte ze mee aan een door de Stichting Recht en Openbaar Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) gesubsidieerd onderzoek. 

En daar bleef het niet bij, petje drie was haar lidmaatschap van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks. De partij die niet alleen tot over haar oren betrokken was bij de jacht op politie- en inlichtingendiensten, maar ook haar steentje bijdroeg aan het saboteren van het Nederlandse asielbeleid. Belangrijke partijleden van deze aanpak waren Wilbert Willems en Andrée van Es.  Zij keerden zich fanatiek tegen het Nederlandse asielbeleid en het feit dat de BVD actief was in kringen van asielzoekers en vluchtelingen.

Begin 1990 was J&J begonnen met het verspreiden van een enquêteformulier onder tientallen organisaties om gegevens te verzamelen over asielzoekers die waren benaderd door inlichtingendiensten. Advocatenkantoren, vluchtelingenzelforganisaties, kerken en vluchtelingengroepen deden eraan mee. Aan het eind van het jaar werden de resultaten van het onderzoek gepubliceerd in het als boekje De vluchteling achtervolgd – De BVD en asielzoekers. Naar aanleiding van het onderzoek diende het GroenLinks-Kamerlid Willems onmiddellijk een motie in om de bevoegdheden van de BVD op het terrein van asielzoekers in te perken.

Intussen kregen advocaten, hulpverleners en vluchtelingengroepen van J&J voorlichting over de werkwijze van de inlichtingendiensten en hun contacten met de Vreemdelingendienst. Asielzoekers kregen het uitgebreide ‘Tips en Aanbevelingen’ over de wijze waarop ze met inlichtingdiensten om moesten gaan en hun verblijf in Nederland veilig moesten stellen. “Asielzoekers moeten direct na aankomst in Nederland ingelicht worden over de ‘praktijken’ van de Vreemdelingendiensten, de PID en de BVD”, aldus J&J.

Een van de meest spraakmakende acties gebeurde toen Bussemaker amper op haar plek zat. Op 10 oktober 1991, toen in Utrecht een van de meest gezochte rebellen uit de Filippijnen, Nathan F. Quimpo, door functionarissen van de Nederlandse en Amerikaanse inlichtingendienst werd benaderd om als informant te werken. Mispoes, Quimpo had de ‘Tips en Aanbevelingen’ van J&J goed gelezen en wist samen met hen de inlichtingenfunctionarissen in een val te lokken. Ook de Vara deed mee. Op 2 november 1991 maakte het actualiteitenprogramma Achter het Nieuws er een spektakel van: een wegsnellende BVD-agent, een nuchtere CIA-man, een zielige Quimpo die op de vlucht was voor een ‘vreselijk Filippijns regime’, en Quimpo’s advocaat Tomlow, die het ‘ongehoord’ vond dat zijn cliënt de asielzoeker werd benaderd om informatie te geven. De regie van de uitzending was in handen van een van Nederlands bekendste presentatoren, Paul Witteman.

En ook het samenwerkingsverband met GroenLinks deed zich gelden. Wilbert Willems had zijn Kamervragen al klaar liggen. Zijn Tweede-Kamerfractie was ziedend over de handelswijze van de BVD. Men wilde onderzoek, eiste opheldering van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, Ien Dales, en er moest onmiddellijk gestopt worden met het benaderen van asielzoekers.

Volgens Willems waren de beelden die op tv te zien waren geweest eerder regel dan uitzondering. Tevens eiste hij extra bescherming voor Quimpo, omdat de CIA-man zou hebben gezegd: ‘You’re finished’. Willems wilde weten of de bemoeienis van de BVD en de CIA met Quimpo geen nadelige gevolgen hadden voor de toekenning van een verblijfsvergunning. Aan het eind van het liedje werd aan Quimpo een asielstatus verstrekt.

Gezien hun belangrijke rol binnen de beweging is het niet verwonderlijk dat J&J continu in de gaten werd gehouden door politie en inlichtingendiensten.

“Maar dat deden ze zo knullig. (…) Eigenlijk lachwekkend”, vertelde Eveline Lubbers in een interview. “In ’88 heeft de BVD geprobeerd een zolder te huren, die gesitueerd was tegenover ons toenmalige kantoor. Ze vroegen het bij toeval aan een bewoner, die journalist was bij de NRC. Dat kwam dus meteen in de krant en het BVD-feestje ging niet door.”

Bij een andere poging probeerde de BVD aan de overzijde van Lubbers’ vroegere woning in de Jordaan een etage te huren. “Een overbuurvrouw kwam op een dag in onthutste toestand aangelopen met de mededeling dat ze de BVD aan de deur had gehad. Die vroeg of ze een tijdje van haar woning gebruik konden maken, omdat ze de overkant in de gaten wilden houden.”

Terug naar Bussemaker. In 1995 nam zij afscheid van GroenLinks en werd lid van de PvdA. Dat kwam voornamelijk door de vele gesprekken die ze had gehad met Maarten van Traa en haar oude strijdmakker Andrée van Es. Van Es kende ze nog uit de veelbewogen krakersperiode, en dan voornamelijk uit het ‘activistisch-feministische’ circuit en de jacht op politie- en inlichtingdiensten. Bij de PvdA lag het dubbele petje van Bussemaker iets gevoeliger, hetgeen ertoe leidde dat zij in maart 1996 uit het bestuur van Res Publica stapte.

Daarna bleef ze nog twee jaar actief als deeltijd universitair docent bij de vakgroep Politicologie en Bestuurskunde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, werd in mei 1998 lid van de Tweede Kamer, om ten slotte op 22 februari 2007 te worden aangesteld als staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Tot slot

Nee, voor zover mijn onderzoek tot nu toe strekt heeft Bussemaker niet zelf, ingebroken, bommen geplaatst, huizen beklad of ruiten ingegooid van politie- en inlichtingenmensen of hun gezinnen geterroriseerd met nachtelijke dreigtelefoontjes. Nee, net zomin als de nazi Goebbels zelf Joden naar de gaskamer heeft gebracht of de Serviër Karadic moslims heeft vermoord in het voormalig Joegoslavië. Nee, zij behoorde tot het ‘schone handen niveau’, het vuile werk liet zij over aan ‘kameraden’ als Eveline Lubbers en Duyvendak.

Het is heel begrijpelijk dat de oude kameraden of leden van Res Publica, J&J, Ravijn – of andere links-radicale organisaties in Nederland – zeer zwijgzaam zijn over hun verleden. Het is begrijpelijk, omdat een aantal van hen zich sindsdien vrijelijk bewegen of bewogen hebben binnen het hart van onze overheden en politiek. Wijnand Duyvendak als Tweede Kamerlid voor GroenLinks, Jet Bussemaker (PvdA) als Staatssecretaris, Peter Klerks (PvdA) als lector aan de politieacademie, Andrée van Es (GroenLinks) als directeur generaal bij Binnenlandse Zaken of Jet Cramer (PvdA) als minister van VROM.?????

Wist onze premier eigenlijk wel waarover het ging toen hem vragen werden gesteld over Bussemakers verleden, of was voor hem op dat moment de formatie van een nieuw kabinet veel belangrijker en maakte het niet uit wie hij binnen zijn gelederen haalde? Het geeft te denken, zeker wanneer we zijn nogal nonchalante houding rond de recente affaire over minister Jacqueline Cramer tegen het licht houden.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars

Door , topic: Overheid, Politiek
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. R. Hartman (NI) schreef op : 2
    R. Hartman

    @SpyNose: Niet, vrees ik. Maar het verklaart wel veel over de haast waarmee nu satelliet-gestuurd rekeningrijden er moet komen (en de OV chipkaart, waarmee anoniem reizen eveneens onmogelijk wordt) en de gigantische straffen die al op ontduiking worden voorgesteld. Wie dan zijn nek uitsteekt kan op speciale aandacht rekenen, en wie een hond wil slaan kan altijd wel een stok vinden…

  2. jjvandinges schreef op : 3

    De extreme straffen op iets onbeduidends als ‘niet traceerbaar’ zijn zegt veel over hoe men denkt in de achterkamertjes. Je kan blijkbaar beter een beestachtige moord plegen (qua straf) dan aan de centen voor de uitkeringen van PvdA-kiezers komen. Hoezo moreel verval?

    De (ex-) krakers en andere (ex-) links extremisten zullen er inderdaad alles aan doen om hun posities en invloed te behouden. Een paar andere van de vele radicaal-linksen die minder zichtbaar zijn, zijn Ina Brouwer (ex-CPN) en Andree van Es (ex-watandersextreemlinks), beide nu hoge ambtenaar ergens met een zeer hoog salaris voor Kameraden die altijd voor nivellering preekten. Gucci en Prada socialisten dus. Normaal zijn dit soort lieden er als de kippen bij om een ander in de schandpaal te zetten, nu zijn de rollen omgekeerd. En dat valt zuur op de maag.

    Het neo-Romeinse rijk is keihard bezig in te storten. Als als die miljoenen – die het linkse beleid in West Europa zat zijn – daadwerkelijk emigreren is de nieuwe grote volksverhuizing een feit. Wie gaat dan al die subsidies en uitkeringen betalen?