zaterdag, 13 november 2010
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Rekenvoorbeeld inflatie

Met cijfers kan je alles bewijzen, zelfs dat het goed is dat er deflatie is. Dus dat bij stijgende productie de geldhoeveelheid niet groeit, en de prijzen dalen. Bij deze een rekenvoorbeeld, met aan het einde van het rekenvoorbeeld een overdenking wat in deze de rol van de overheid dient te zijn en of en in hoeverre deflatie fout is.

Er is een fictieve gemeenschap waarin 2 beroepen zijn, die van de voedsel grondstof verzamelaars en die van de voedselbereiders. Laten we die laatste groep de bakkers noemen. De geldhoeveelheid is 100 goudstukken genaamd florijnen en neemt verder niet toe. De grondstofverzamelaars zijn ecologisch bewust en zorgen dat ze precies zoveel grondstof verzamelen als de beschikbare ruimte toelaat. Er heerst honger in onze gemeenschap, maar het besef is er dat deze honger een hoger doel dient aangezien verdere expansie schadelijk is voor de ecologie. Om ieder buikje goed te vullen zijn 200 broden nodig.

Een slimme bakker analyseert het bakproces en ziet dat de helft van de grondstoffen tijdens het productieproces teniet gaan. Hij denkt na over een procesverbetering en na een paar daagjes slapen heeft hij het. Hij past zijn productie proces aan en elimineert het verlies tijdens productie. De bakkers bakten eerst 100 broden voor 1 florijn per brood. Onze slimme bakker heeft een afkeer van octrooien en deelt zijn kennis met zijn vakbroeders. En voor we het weten zijn er nu 200 broden per dag. De honger is voorbij.

De prijs van een brood daalt nu naar een half goudstuk. Wie heeft er nu gelijk?

A] De slimme bakker die roept dat hij tevreden is met zijn zelfde inkomen, en de voedselverzamelaars die tevreden zijn met de verdubbeling van het aantal broden? Dus dat deflatie acceptabel is?

B] De dorpsoudste die roept dat een brood altijd al een florijn heeft gekost. Dat de laatste wetenschappelijke inzichten mbt monetair beleid waarschuwen voor deflatie, en dat daarom al het goud in de gemeenschap moet worden omgewisseld tegen papieren briefjes van 1 florijn elk. Na de inwisselactie krijgt iedere burger een papieren briefje van 1 florijn. En heeft de dorpsoudste nog 100 briefjes van 1 florijn (plus natuurlijk de goudvoorraad) over die hij kan besteden aan het algemene nut. Waardoor de geldhoeveelheid gestegen is tot 200 florijnenbriefjes en waardoor volgens hem verstandig monetair beleid wordt uitgeoefend.

Dit is de essentie van geldgroei en eigenlijk was de vraag wie er gelijk heeft niet zo moeilijk te beantwoorden. Wellicht is de volgende vraag wat uitdagender. Wat wordt nu de prijs van een brood?

A] 1 florijn

B] een halve florijn

C] 2 florijnen

D] kan je niet zeggen

Dit is al een beetje een instinker, het hangt ervan af wat er gebeurt met de 100 euro in briefjes van de dorpsoudste. Zolang dit geld niet in omloop is, zal het brood een halve florijn kosten. Onze dorpsoudste heeft die 100 euro in zijn schatkist en besluit dat het tijd wordt voor een project ten behoeve van het algemene belang. Onttrekt 10 voedselverzamelaars aan de gemeenschap en laat deze stenen stapelen in de vorm van een tempel. En geeft deze voormalige voedselverzamelaars thans stenenstapelaars steeds een florijnbriefje. Net zolang totdat de schatkist leeg is. De stenenstapelaars worden daarna weer voedsel verzamelaars en er is weer een broodproductie van 200. Wat is nu de prijs van een brood?

A] 1 Florijn

B] 2 Florijnen

Ik neem aan dat de meesten stellen dat het verkondigde doel van de monetaire politiek inderdaad is bereikt, er zijn 200 broden die voor 1 Florijn per brood over de toonbank gaan. De volgende vraag maak ik dan maar eenkeuzig, wie heeft er voordeel gehad van de geldgroei?

A] de geldscheppende instantie.

Onze dorpsoudste verdiept zich verder in monetair beleid en heeft ergens gelezen dat inflatie goed is voor de economie. Hij besluit ieder jaar de geldhoeveelheid met 5 procent te doen groeien. Ieder jaar stopt hij zichzelf deze 5 procent toe. Hij kan nu zijn tempel verder afbouwen. Wat betekent dit?

A] niets, er is een inflatie van 5 procent, brood wordt dus 1,05 euro, daarna 1,11 euro etc. Maar de bakkers en de verzamelaars krijgen ieder nog hun deel dus moeten niet zeuren, ze moeten dankbaar zijn voor de zorg van de dorpsoudste voor het monetaire beleid.

B] De bakkers kunnen minder bakken, doordat ze 5 procent minder grondstoffen krijgen aangeboden, er is een suboptimale allocatie van productiemiddelen (lichte vorm van honger) en een inflatie van 5 procent. Men is slechter af.

We leven intussen vele decennia later, de dorpsoudste is door diverse professionele bestuursorganisaties vervangen. Die onder andere eerst geloofden in Keynes. Er werd daardoor nog meer geld in omloop gebracht door als staat te lenen en men kon daardoor plotseling nog veel meer stenen stapelen ten behoeve van het algemene belang. Dit stenen stapelen had net als in ons voorbeeld niet het  beoogde economische effect, maar dat is een ander verhaal. De monetaire leer evolueerde. “Fractional reserve” banking nam hierdoor een grotere groei. Meer geld dat niet eerst naar de productiefsten van de maatschappij ging, maar eerst naar de zogenaamde leningstapelaars. In naam van economische en monetair beleid. Dit was niet genoeg en dreigde fout te gaan, de leningstapelaars moesten op hun beurt door leningen gered worden door ene opperleningstapelaar. En nu moet straks de opperleningstapelaar gered worden…….

Nu dus de vraag, moet de geldhoeveelheid gelijke pas houden met de productie, en wat is de rol van de overheid / centrale bank:

A] nee, deflatie is in tegenstelling tot wat bijna eenieder tegenwoordig beweert in sommige gevallen de juiste weg, er is geen plaats voor een overheid in deze.

B] ja, anders ontstaan marktimperfecties, hier is een rol voor de overheid en de centrale bank, die daar best van mogen profiteren (licht antwoord toe)

C] eigenlijk niet, er dient inflatie te zijn groter dan de productiviteitsgroei  om de economie aan te jagen en het is aan de centrale banken dit te bewerkstelligen (doe dan svp straks als laatste het licht uit)

Geschreven door Ratio

———————————————-
NB: teneinde mogelijke verwarring te voorkomen heb ik mijn nick HJ aangepast in “Ratio”. HJ staat voor mijn eigen voorletters en niet voor zoals sommigen vermoedden Hub Jongen.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars

Door , topic: Economie, Overheid, Politiek
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Frankie schreef op : 1

    In dit voorbeeld hier meen ik te moeten constateren dat er geen sprake is van bevolkingsaanwas.
    Als je bevolkingsaanwas hebt dan wil elke persoon meer in dat wereldje ook graag een florijn hebben! Hoe los je dat op?
    En is dat al niet het begin van inflatie?

  2. pcrs schreef op : 2
    pcrs

    Je bedoelt met inflatie/deflatie hier dus niet alleen de geldgroei/krimp, maar het gemiddelde prijsniveau?
    A
    Uiteindelijk is alle arbeid die aan de wensen van de geldschepper (tempels) verspild wordt, verloren arbeid voor de mensen die liever te eten hadden. De dorpoudste moet uiteindelijk ten oorlog trekken tegen een naburige stam als de zaak onherroepelijk spaak loopt.

  3. SiT schreef op : 3

    Geldhoeveelheid heeft in principe geen enkele relatie met inflatie/deflatie, maar met omloopsnelheid en rentebetalingen.

  4. Romee schreef op : 4

    In de praktijk:

    Deflatie,

    Mensen kopen een huis voor 200.000
    Door deflatie is het huis 150.000 waard
    De schuld voor deze mensen is 50.000 na een paar jaar.
    Het geld wat ze over hadden per maand gaat niet meer in de economie maar naar het aflossen.

    Inflatie,

    Mensen kopen een huis voor 200.000
    Door inflatie is het huis 250.000
    De 50.000 overwaarde wordt bij verkoop van het huis
    (op latere leeftijd) besteed aan reizen, campers, caravan, kinderen en kleinkinderen.
    Het komt dus weer in de economie.
    De oudere worden rijk door inflatie door hun huis en/of hun bedrijf te verkopen aan de jongere generatie.

  5. IIS schreef op : 5

    www.be