zaterdag, 10 september 2011
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Mozart was een rooie

Een zedenspel in een bedrijf

door Murray N. Rothbard

 

Dit toneelstuk is geschreven in de vroege jaren ’60; Justin Raimondo schrijft zijn commentaar voor de Rothbard-Rockwell Report.

 

Inleiding door Justin Raimondo

 

“Mozart was een rooie” is, bij mijn weten, Murray N. Rothbard zijn enige toneelstuk. Het is een ongebruikelijke vorm voor hem, maar wel een die past bij het onderwerp: de cultus die groeide rondom romanschrijfster Ayn Rand en floreerde in de jaren ’60 en begin jaren ’70. Want de belangrijkste figuren van Rand haar kortstondige “Objectivistische” beweging waren werkelijk zoals personages uit een of andere klucht.

 

Met haar wapperende cape, indringende ogen en lang sigarettenpijpje, was Rand precies het evenbeeld van excentriciteit; soms droeg zij een driekantige steek en een keer een wandelstok met gouden knop. Haar zware Russische accent droeg bij aan haar uitheemsheid. Het is een maatstaf voor Rand haar krachtige persoonlijkheid – en de werkelijke sleutel tot het begrijpen van de Rand cultus – die, na verloop van tijd, veel van haar voornaamste volgelingen er toe bracht met een merkbaar accent  te gaan praten, hoewel iedereen van hen geboren was in Noord-Amerika.

 

Dit proces van russificatie was vooral uitgesproken bij Nathaniel Branden, haar voornaamste discipel. Branden gaf zijn lezingen over de “Basis Principes van het Objectivisme” met een sonore zangerige stem met een zeer duidelijke Slavische ondertoon. Pompeus, dogmatisch en volslagen zelfverdwaasd, was Branden de onderkoning en eerste stuurman van een cultus die totale gehoorzaamheid en instemming eiste omtrent elk denkbaar onderwerp – in de naam van individualisme. Elke afwijking van de randiaanse regel – en zij hadden met alles een regel – werd beschouwd als bewijs voor “slechte premissen”, en reden voor royement van de “inner circle”.

 

Murray’s eigen ervaringen met de randianen was een typisch geval. Eind jaren ’50 raakten Murray en zijn groep van libertarische vrienden in New York City geïnteresseerd in de ontluikende Objectivistische beweging, welke had aangevangen ten gevolge van het succes van Rands roman Atlas Shrugged.

 

Murray schreef Rand een brief, complimenten makend over de roman, en al gauw werden er gemeenschappelijke bijeenkomsten van het randiaanse “Senior Collective” en Rothbards “Circle Bastiat” gehouden. Als pleitbezorgers van laissez-faire kapitalisme, verklaard toegewijd aan de suprematie der rede, leek het er op dat de randianen waardevolle bondgenoten zouden zijn.

 

Maar de randianen begrepen het begrip “bondgenoten” niet: in hun universum was je het eens met al hun standpunten, en zo niet, dan was je overgeleverd aan de Uiterste Duisternis. (Curieus genoeg waren de randianen op het gebied van macro-politiek platte opportunisten)

 

De Randiaanse ideologie was niet zozeer meer een volledig filosofisch systeem dan een mythe, gebaseerd als het was op Rand haar romans. Helaas, naarmate zij ouder werd, dacht zij van zichzelf een filosoof te zijn, gaf zij het schrijven van fictie op om de leider te worden van een beweging.

 

In haar non-fictie tirades citeerde Rand voornamelijk uit eigen werk; dit was niet alleen vanwege haar opgeblazen eigendunk, maar ook vanwege een kolossale onontwikkeldheid. Zij las bijna niets anders dan detective romans, en haar volgelingen, gewoonlijk aanmerkelijk jonger, waren zelfs erger. Hoewel haar filosofie van rationeel eigenbelang een excentrieke moderne variant was van een oudere filosofische traditie was de enige voorganger die zij erkende Aristoteles.

 

Hoewel ze beweerde geen militante atheïst te zijn – “het zou het maken van een compliment aan religie zijn die zij niet verdient” – voer zij uit tegen conservatieven vanwege hun toewijding aan religie en traditie, hen afdoende als “versleten mystici”.

 

Religie was ook het voornaamste geschilpunt in de gebeurtenissen die tot Murray’s breuk met de Randianen zou leiden: hoewel Murray een agnost was, was (en is) zijn vrouw JoAnn presbyteriaanse. Hiervan in kennis gesteld onderwierp Rand Joey aan een ondervraging over de redenen van haar geloof en raadde haar aan een pamflet te lezen, uitgegeven door de Randianen, dat het bestaan van God zou “weerleggen”.

 

Toen Joey weigerde haar ketterij te herroepen, kreeg Murray te verstaan dat hij beter een meer “rationele” levensgezellin kon zoeken. Dat was de druppel voor Murray. De breuk werd bekrachtigd bij een formele “rechtszaak” gehouden door het randiaanse Senior Collective, waarbij Murray niet aanwezig was.

 

Murray’s waarlijke talent als satiricus komt tot uiting in zijn vaardige karakteriseringen: in Carson Sand, de heerszuchtige auteur van de Wenkbrauw van Zeus, heeft Murray Rand volledig getroffen. Met een goed geplaatste penseelstreek – “Jonathans neus was continue vooruitgestoken in een hoek van 45 graden van horizontaal” – schildert Murray een levend portret van sekteleider Nathaniel Branden. Zijn subtiele portrettering van Rands echtgenoot, de rustige, vriendelijke en nogal intelligente Frank O’ Connor, in het personage George heeft verbeeldingskracht en is structureel knap: bij sleutelmomenten in het drama is het George, die altijd rustig spreekt te midden van de grandioze theatraliteit van de anderen, die de belangrijke vragen aan Keith Hackley, de in de war gebrachte nieuweling, stelt en de vaart er in houdt.

 

Hier is nu “Mozart was een rooie”, hetgeen een lichtere kant van Murray Rothbard vertegenwoordigt. De kant die degenen onder ons die hem goed kenden altijd zullen koesteren en herinneren.

 

 

——————————————————————————–

 

 

Het toneelstuk

 

 

Eerste toneel

 

De woonkamer van een modern luxueus appartement in de ‘upper East Side’ van New York. De muren zijn weelderig tropisch groen. Sofa (c), verscheidene leuningstoelen en uit afzonderlijke delen bestaande zetels (r) zijn allemaal extra groot, zo ontworpen dat niemand er comfortabel op kan zitten. Naar achter gezeten tegen de rug van de zetels zou niemand met een lengte van onder de 2 meter 40 zijn voeten op de vloer kunnen zetten. Daarom zijn er voor iedereen in de kamer maar twee alternatieven: (a) onbestendig hoog zitten op de rand van de sofa of stoel, een van de leuningen vastklemmend als steun, of (b) er opgevouwen in zitten, voeten gedrukt tegen dij en bekleding.

 

Voor CARSON SAND, eigenaresse van dit appartement vormt de keuze hiervoor geen probleem. Zij is nu opgevouwen op een van de delen (lc), sigarettenpijpje in de hoogte. Dit is om spottende minachting, en vijandigheid, te symboliseren ten aanzien van mannen en derhalve rationaliteit en hoge romantische normen.

 

CARSON is een kleine vrouw met sluik haar dat aan een kant van haar gezicht wegsijpelt. Haar figuur kan alleen worden beschreven als protoplasmisch, amorf, haar leeftijd is ook ongedefinieerd, maar vermoedelijk in de vijftig. Ze draagt een vormloos kostuum met schoudervullingen, naar de laatste mode (Moskou, 1925). Haar ogen zijn kraalachtig en strak, en terwijl zij spreekt is zij onveranderlijk opgevouwen, klaar voor de aanval.

 

CARSON werd op slag beroemd als auteur op basis van één roman, geestdriftig gekocht vanwege zijn levendige verkrachtingspassage. Zij gelooft dat de populariteit van het boek de massale toewijding aan haar filosofische boodschap aantoont.

 

Gezeten aan de rechterkant, ook opgevouwen, zijn haar twee discipelen, JONATHAN en GRETA. Zij zijn in de twintig, maar reeds getekend met de arrogantie van hun beschermheilige. JONATHAN zijn neus is voortdurend geheven in een hoek van 45 graden ten opzichte van de horizon en zijn steile bruine haar is aan de voorzijde opgesmukt met een blonde bleking. GRETA is een knappe blondine, met donkere huid en een katachtig voorkomen. Hoewel zij in lichamelijk opzicht geen gelijkenis met CARSON vertoont, heeft zij hetzelfde sigarettenpijpje en hetzelfde merk kleine lucifers als de laatste. Zij hanteert nog niet het pijpje met dezelfde flair.

 

Op de bank aan de uiterst rechtse kant ligt GEORGE KELLY te slapen. GEORGE is lang en dun, zijn eens knappe gezicht voortdurend geplooid in een expressie van grote zachtaardigheid, loomheid en verveling. GEORGE is CARSON haar echtgenoot. Midden achter is een luxe radio-grammofoon-27 inch TV toestel. Opgevouwen voor het toestel ligt een luxueuze zwartgrijze kat, ALFONSO III.

 

Boven op de schoorsteenmantel (rc) naast het toestel staat een omlijste dubbele foto van JONATHAN en GRETA ondertekend voor CARSON.

 

GRETA heeft er onder geschreven: “Dank je, CARSON, voor dat je mij een rond heelal hebt gegeven.” JONATHAN schreef, schalks: “Voor de vrouw met de prachtige poes.”

 

Komt op: KEITH HACKLEY, een prettige, ernstige, goed geklede jonge man van 25. Hackley, een gepromoveerde student geschiedenis, loopt aarzelend vanaf de linkerkant. GEORGE, ontwakende, springt overeind en komt naderbij.

 

GEORGE: Hier, laat mij…alsjeblieft.

 

GEORGE leidt KEITH de kamer binnen.

 

GEORGE: Keith Hackley – Jonathan, Greta, en…Carson Sand.

Onmerkbaar knikken JONATHAN en GRETA het hoofd. CARSON strekt haar arm uit in een gebaar van welkom en wijst naar de sofa waar KEITH gaat zitten. GEORGE hervat zijn dutje, aan de rechterkant.

CARSON (spreekt met een sterk Russisch accent, bijvoorbeeld haar “t”’s klinken als essen): Wel, Meneer Hackley, ik ben blij dat u kon komen.

 

KEITH: Dank u, ah (twijfelend, is het mejuffrouw of mevrouw….?) …Miss Sand. (Na een stilte.) Ik wil u graag zeggen hoezeer het mij verheugd dat u mij wou zien.

 

CARSON: O, Keith hoe kon ik je vragen niet te komen na mij zo’n voortreffelijke brief te hebben gezonden over mijn roman?

 

CARSON: O, het was werkelijk niets.

 

CARSON (geërgerd): O?

 

KEITH (een beetje verlegen): Ik wil toch graag zeggen, mejuffrouw Sand, dat uw boek inspirerend was. De Wenkbrauw van Zeus was een van de mooiste romans die ik de afgelopen jaren gelezen heb.

 

(Uitingen van ontzetting en ongeloof van JONATHAN en GRETA. JONATHAN en GRETA spreken trouwens gewichtig zangerig met een vlaag van een Russisch-Canadees accent.)

 

GRETA (bits): Meneer Hackley, zei u nou één van de mooiste romans?

 

KEITH (verlegen): Hoezo…ja.

 

JONATHAN (met strak beheerste rancune): Zou u ons de naam willen verschaffen van een roman die u in de afgelopen jaren gelezen heeft die zelfs maar in de verte te vergelijken is met de Wenkbrauw van Zeus?

 

KEITH (aan het zweten): Wel – Ik – weet werkelijk…

 

JONATHAN: Als er een ding is dat we niet kunnen tolereren, Meneer Hackley, dan is het wel onnauwkeurig taalgebruik. U zei één van de mooiste romans – wat waren de anderen?

 

KEITH: Wel, Ik – Hemingway was nogal indrukw…

 

JONATHAN en GRETA (eenstemmig): Hemingway! Goede God! (daarna snel):

JONATHAN: (in een laag, snel bezwerend gemompel) Natuurlijk weet u als wij “God” zeggen dit niet betekent dat wij instemmen met het concept. We gebruiken de term zuiver als een krachtterm, een taaleigen metafoor.

 

CARSON (haar innerlijke woede sterk beteugelend): O, Keith, kun je niet inzien dat Hemingways dood in elke zin zit die de man schrijft?

 

KEITH: Wel, het gevecht van de man met de stier, het moment van…

 

JONATHAN: Hemingway is anti-leven, anti-geest, anti-werkelijkheid.

 

CARSON (teder kijkend naar JONATHAN): Jonathan, Greta. Kom, ik denk dat we meneer Hackley een kans moeten geven. Uiteindelijk is hij een liefhebber van de Wenkbrauw van Zeus en dat is een groot pluspunt.

 

GRETA: Ja, je hebt gelijk, Carson.

 

JONATHAN: Natuurlijk, Carson.

 

CARSON (zich wendend tot KEITH): Keith, wil je een sigaret? Hier, dit is een speciaal rationeel merk.

 

KEITH (een beetje in de war gebracht): “Rationeel…?” (een korte stilte) O, neem me niet kwalijk, dank u. Ik rook niet.

 

(Uitroepingen van afkeuring van JONATHAN en GRETA.)

 

GRETA (slaat achterover): Je rookt niet! Waarom niet?

KEITH (herneemt zich) : Wel, eh… omdat ik er niet van hou.

 

CARSON (in nauwelijks te beheersen woede): U houdt er niet van! U staat uw zuiver subjectieve grillen, uw gevoelens (dit woord uitgesproken met de grootste minachting) toe in de weg te staan van rede en realiteit?

 

KEITH (weer aan het zweten): Voorzeker, mejuffrouw Sand, welke andere mogelijke gronden kan men hebben om te roken dan er eenvoudigweg van te houden?

 

(Uitingen van woede, ontzetting van GRETA, JONATHAN en CARSON, “O!”, “Ah!”, etc.)

 

JONATHAN (opspringend): Meneer Hackley, Carson Sand doet nooit, nooit, iets vanwege haar subjectieve gevoelens: alleen vanwege de rede, wat inhoudt: de objectieve natuur der realiteit. U heeft deze grote vrouw, Carson Sand, grof beledigd, u heeft haar hoffelijkheid en gastvrijheid misbruikt. (gaat zitten)

KEITH: Maar. ..maar…welke mogelijke reden kan er zijn…?

 

CARSON: Meneer Hackley, waarom ontwijkt u een vanzelfsprekend feit? Roken is een symbool van het vuur in de geest, het vuur van ideeën. Hij die weigert te roken is derhalve een vijand van ideeën en van de geest.

 

KEITH: Symbool? Maar dan is een lucifer zelf nog meer een symbool…

 

(Verdere uitingen van woede, boosheid, ergernis.)

 

JONATHAN (opgesprongen, over KEITH buigend): Genoeg! Hoe durft u Carson Sand op zo’n manier, als van een straatschoffie, te bespotten? U zou God niet bespotten!

CARSON (weer met strakke beheersing): Wacht, Jonathan, laten we ermee wachten voordat we tot een eindoordeel komen. Misschien is zijn probleem op een dieper niveau.

 

JONATHAN: Natuurlijk, Carson. (JONATHAN gaat rechtop staan, gaat zitten)

 

CARSON (zich wendend tot de de door en door geërgerde KEITH): Nou, Keith, dit is erg belangrijk, ben jij een rationalist?

 

KEITH (weer verlegen): Wel, ik – ik, dat is een erg moeilijke…

 

CARSON: Kom, kom, houd jij de rede voor absoluut?

 

KEITH: Nou, ja, maar ik – dat hangt ervan af hoe je rationalisme definieert. Ik zou denken…

JONATHAN (opgesprongen, wapperend met zijn lange haar, en heen en weer aan het lopen): Een rationalist is een mens die uitsluitend leeft volgens zijn rede, wat betekent: volgens de kracht van zijn geest om de werkelijkheid te snappen, wat betekent: volgens de kracht van zijn geest te denken, wat betekent: volgens zijn eigen kracht te denken, wat betekent…

 

CARSON: Wacht, Jonathan. (Jonathan stopt met heen en weer lopen, gaat weer zitten.) Wel, Keith, ben jij een rationalist?

 

KEITH: Wel, ik vind de rede goed, en – en denken, natuurlijk, maar ik ben er niet zo zeker van wat…

 

CARSON (met stijgende boosheid): Meneer Hackley, wij zijn erg geduldig met u omdat wij elke hoffelijkheid en elke speelruimte verlenen aan een liefhebber van de Wenkbrauw van Zeus. Laat ik het zo zeggen: is u een mysticus? (Deze vraag komt er uit met vlammende ogen, haat in de stem.)

 

KEITH: Een mysticus? O, nee, ik geloof niet in dat Zen boeddhistische gedoe, of…

 

CARSON (kronkelend van verontwaardiging): O! Werkelijk, Keith, ik probeer een serieuze conversatie met jou te onderhouden.

 

KEITH: Wel. ja, maar…

 

CARSON: Wees alsjeblieft zo hoffelijk mij niet te interrumperen midden in een gedachte.

 

KEITH: Neem me niet kwalijk, Ik…

 

CARSON: Voorzeker, je moet je beseffen dat ik niet spreek van een gebochelde, leproze Aziatische schooier ergens op een kleedje, dat is de meest in het oog springende, de meest duidelijke soort mystiek.

 

KEITH: Ik weet het; Los Angeles is vol met rare…

 

JONATHAN: Meneer Hackley, waarom blijft u steeds maar weer volharden, in uw bewuste en weloverwogen ontwijken van mejuffrouw Sand haar openhartige vragen? We weten allebei dat je raast als een bezetene.

 

KEITH: Kijk eens aan, Ik weet niet waar u het over heeft…

 

CARSON: Keith, om het eenvoudig te stellen, is een mysticus iemand die toestaat dat iets anders tussen zijn rede en zijn realiteit komt, wie iets hoger plaatst dan zijn rede. Zie je dat in?

 

(Er valt een ongemakkelijke stilte.)

 

GEORGE (zacht, richt zijn hoofd een beetje op vanuit de sofa naar de rechterkant): Ben je religieus, Keith?

 

KEITH (werpt een dankbare blik in de richting van George): O, ben ik religieus? Ik begrijp het – wel, niet heel erg. Ik ga twee keer per jaar naar de kerk, Kerstmis en Pasen, weet u – maar religie speelt een zeer kleine rol in mijn leven.

 

De stilte is nu dieper, meer onheilspellend. Een sissend geluid komt uit de richting van GRETA.

 

GRETA: Alleen twee keer per jaar, zegt ie.

 

(GRETA richt zich tot JONATHAN)

 

GRETA: Weet je waar dat vandaan komt…

 

JONATHAN: Natuurlijk. Er is een passage op bladzijde 236, paragraaf 2 van Zeus dat dit syndroom perfect verklaart.

 

GRETA: Ja. En neem er notie van hoe hij in de gunst tracht te komen bij zowel ons als de mystici.

 

JONATHAN: Natuurlijk.

 

KEITH: Kijk eens aan, ik wist niet dat u zich zo vol bitterheid voelde ten aanzien van religie.

 

CARSON: Keith, onze gevoelens doen er in deze in het geheel niet toe. Onze rede vertelt ons dat religie een kwaad is.

JONATHAN (opspringend en heen en weer lopend): Religie is een kwaad, wat betekent anti-geest, wat betekent anti-leven, wat betekent anti-rede, wat betekent anti-werkelijkheid. (Hij gaat weer zitten.)

 

CARSON (kijkt liefdevol naar JONATHAN): goed gedaan, kameraad.

 

KEITH: Wel, kijk, ik zei u dat ik religie niet heel ernstig opneem.

 

(de stilte die zich nu nestelt in de kamer is dodelijk.)

 

CARSON (ontploft, geagiteerd. Ze springt op): Mijn God, we spreken over zaken van leven en dood hij neemt… O!! (CARSON zinkt weg in de stoel, haar hoofd bedekkend van woede.)

 

GRETA (met een lage dreigende stem): Meneer Hackley, neemt u ook maar iets serieus?

 

(Weer een lange stilte.)

 

(KEITH begint op te staan om te vertrekken. CARSON verzamelt haar laatste restje geduld en weerhoudt hem.)

 

CARSON: Wacht, Meneer Hackley, wellicht kunnen we uw probleem aanpakken door esthetiek. Van welke componisten houdt u bijvoorbeeld?

 

KEITH (gaat weer zitten, een beetje opgelucht, voelt zich ten onrechte op veiliger gebied): Wel, de gebruikelijke, weet je. Ik ben niet zo heel muzikaal…

CARSON (snel): Dat is in orde. Dat maakt niet uit. Uw smaak onthult uw muzikale premissen.

 

KEITH (verlegen): O? Nou, ik hou van Beethoven, Bach, Mozart, het standaard…

 

GRETA: O!

 

CARSON: Keith, hoe kun je? Ik, die de diepte van verdorvenheid kent waartoe een mens kan zinken, zelfs ik vraag mezelf af, hoe kan men zo diep  zinken? Beethoven, Mozart, die doortrokken zijn van naturalisme, wiens hele werk waarden met voeten treedt, waarvan elke noot een kwaadwillend universum premisse aan de dag legt.

 

KEITH (verbluft): Kwaadw…?

 

CARSON: O, Keith, kun je de haat ten aanzien van het leven niet merken in elke maat van hun muziek?

 

JONATHAN: Meneer Hackley, u vertelde Carson in uw brief dat u van de Wenkbrauw van Zeus hield omdat het zich verzette tegen collectivisme en totalitarisme.

 

KEITH (vlamt op): Ja, ja, exact. Ik…

JONATHAN: Wel, hoe is het mogelijk dat in de naam van de rede u niet kan inzien dat een componist als Mozart, wat betreft de kwaadaardige universum premisse dezelfde premisse heeft als de collectivisten waarvan u beweert afkering te zijn? Zij zijn allemaal een deel van de anti-geest, anti-leven Vijand.

 

KEITH (weer verbluft): Wil-wil u beweren dat Mo-Mozart een collectivist was?

 

CARSON: O, niet op dezelfde simpele wijze. Maar het systeem van premissen zijn onderling verbonden op een dieper, en daarom op een belangrijker, niveau. Zie je dat in?

(KEITH, meer en meer overtuigd dat hij snel hier vandaan moet, begint weer op te staan.)

 

(GEORGE KELLY gaat rechtop zitten, ondervangt hem met een vriendelijke toon.)

 

GEORGE: Keith, we vragen altijd aan elke nieuwe persoon die we ontmoeten wie zijn favoriete personage is de Wenkbrauw van Zeus. Wie was de jouwe?

 

KEITH: O, ik vond Joey Fontana goed.

 

CARSON, GRETA, JONATHAN (eenstemmig): Joey Fontana!!!

 

KEITH: Ja, hoezo…?

CARSON (met strakke beheersing): Waarom geef je de voorkeur aan hem, Keith?

 

KEITH: Wel, hij stond aan de goede kant, voor vrijheid, en hij was een aardige, snuggere, goedmoedige, beminnelijke kerel.

 

CARSON: Ohhhh!! (Niet in staat de gebeurtenissen langer te verdragen springt CARSON op en rent aan de rechterkant het podium af.)

 

GRETA (op een dodelijk dreigende toon): Joey Fontana! Het toonbeeld van de aardige, derderangs, gewone man. En je verkiest hem boven een held als Kyle Crane of Sebastian del Rey!

 

KEITH: Wel, zij waren wel goed; zij kwamen mij alleen zo houterig en eendimensionaal voor. Zij…

JONATHAN(komt in de benen, komt naar het midden en declameert naar KEITH toe): Genoeg! Keith Hackley, je hebt het zeldzame voorrecht gehad een avond door te mogen brengen met de grootste geesten waarvan je ooit mocht hopen ze te ontmoeten: Carson Sand, Greta Landsdowne, en ikzelf. Maar bovenal heb je Carson Sand ontmoet, de grootste, de meest oorspronkelijke geest van onze tijd en van alle tijden, de grootste mens die ooit geleefd heeft en geleefd zal hebben. En hoe ben je om gegaan met dit voorrecht? Bovenal, hoe ben je om gegaan met Carson Sand? Ik heb hier een tijd gezeten terwijl je een reeks irrationele, onvergeeflijke zonden beging tegen Carson Sand. Je onderbrak haar continue, gaf haar nauwelijks een kans te spreken; je ontweek openlijk elke vraag die Carson of ik stelde. Je hebt geprobeerd een wit voetje te halen bij zowel ons als de mystici, bij ons en bij Mozart, bij ons en bij verdorvenheden van onze maatschappij.

 

Je leverde kritiek, in plaats van vragen te stellen. Je spotte als een straatschoffie, in plaats van de gepaste eerbied te betonen. En ten overstaan van wie? Van deze vrouw, die de wereld de kennis bracht dat A = A en dat 2 plus 2 gelijk staat aan 4. En uiteindelijk, nadat jouw onbeschoftheid deze vrouw met een jobsgeduld uit de kamer had verdreven, was de maat van jouw misdaden vol door te zeggen dat jouw favoriete personage Joey Fontana is, de middelmatige, de aardige vent (met absolute minachting), een tweedehands man. Daarbij, Keith Hackley, heb je jezelf voor altijd verdoemd. Je hebt je keuze gemaakt, Keith Hackley, en daarom geef je mij slechts één alternatief: te eisen dat je dit huis verlaat om nooit meer terug te keren.

 

(KEITH staat op, wankelend, bleek, trillend. Gaat naar de deur. Daar staat GEORGE KELLY om zijn hoed en jas aan te reiken.)

 

KEITH: Meneer Kelly, vergeef me, maar u lijkt me een aardige vent. Hoe kan u al deze dingen verdragen?

 

GEORGE(zachtjes): O, dit soort dingen gebeuren bijna elke nacht. Je raakt er aan gewend.

KEITH: Maar hoe kan u…?

 

GEORGE: O, na een paar jaar kijk je er doorheen. Je blijft op je gemak, je slaapt op de bank, zegt af en toe “Ja”. Donders, wat een leven.

 

Doek valt.

EINDE

Vertaling:  Oscar

Hier kan u het toneelstuk zien, toen het werd opgevoerd ter gelegenheid van Murray Rothbard zijn 60ste verjaardag in 1986.  Jonathan wordt gespeeld door Jeffrey Tucker.

video.google.com

<embed id=VideoPlayback src=http://video.google.com/googleplayer.swf?docid=-5404826610265339909&hl=nl&fs=true style=width:400px;height:326px allowFullScreen=true allowScriptAccess=always type=application/x-shockwave-flash> </embed>

Hier een recentere – maar naar mijn opvatting mindere – opvoering:

www.youtube.com

[youtube www.youtube.com

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars

Door , topic: Cultuur, Humor, Religie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Liberty 5-3000 schreef op : 1
    Liberty 5-3000

    Leuke “collumn”. Zou zo kunnen passen in een “opinie” – tijdschrift.
    Meer als een “bash” richting filosofie is het namelijk niet opgeleukt met het script van een toneelstuk.
    Wat er precies tussen Rothbard en Rand voorgevallen is, is leuk voor het nageslacht, maar doet er totaal niet toe in wat de waarheid der dingen zijn.

    Helaas, naarmate zij ouder werd, dacht zij van zichzelf een filosoof te zijn

    Ik ben het ook niet altijd eens met Rand, maar dit is gewoon hilarisch en een toonvoorbeeld van hoe normaliter de oude media werken.
    Gewoon oppikken die handschoen van het ridiculiseren. Geen argumenten aandragen, maar bespotten.
    Rand was excentriek en had een capeje om. Chapeau. Dat maakt ineens haar hele filosofie onwaar.
    Dikke zucht, maar geheel te verwachten van hysterische figuren die zich de bewakers wanen van het culturele werelderfgoed.
    De realiteit is echter dat ze natuurlijk erg blij waren met filosofie toen het ogenschijnlijk een medestander was.
    Naarmate kwamen ze erachter dat filosofie hanteren een zwaard is dat scherp is aan beide kanten.
    Filosofie raakte hun waar het het meeste pijn deed.

    Filosofie zegt namelijk dat elfjes niet bestaan.

    Atttaaaaaack!

    Def [2] reageerde op deze reactie.
    .M [3] reageerde op deze reactie.

  2. .M schreef op : 3

    @Liberty 5-3000 [1]: Inderdaad. Het zegt misschien meer over Rothbart dan over Rand?

  3. Def schreef op : 4

    De (internationale) libertarische gemeenschap zit vol met teleurgestelde ex-objectivisten (vaak omdat één enkel punt ze niet bevalt), zo ook islamofiel en extreempacifist Justin Raimondo.

    De volgende twee zaken vallen mij bij deze lieden altijd op:

    1. Het nodig achten Rand te bashen (zelden op de inhoud).

    2. Het onvermogen om met een (volledig en volledig geïntegreerd) alternatief te komen dat dezelfde diepgang (dus niet alleen 5x NAP roepen) als het objectivisme kent.

    “De Randiaanse ideologie was niet zozeer meer een volledig filosofisch systeem dan een mythe, gebaseerd als het was op Rand haar romans.”

    In dit interview www.c-spanvideo.org uit 1961 geeft Rand het volgende aan (op de vraag of ze zichzelf voornamelijk als schrijver of filosoof ziet): Ik zou zeggen dat ik mezelf primair zowel als een schrijver als een filosoof zie, gelijk en om dezelfde reden. Zie, mijn belangrijkste interesse in zowel litteratuur als in filosofie is het definiëren en presenteren van een ideale man. Het specifieke en concrete beeld van wat een man zou kunnen zijn en zou moeten zijn. Toen ik begon met schrijven en begon met het bestuderen van filosofie ontdekte ik dat ik het fundamenteel oneens was met de bestaande filosofieën, specifiek op gebied van moraal. Daarom heb ik zelf moeten denken, daarom heb ik mijn eigen filosofische systeem moeten maken, om zo de type ideeën te presenteren die een ideale man mogelijk maken. Om te laten zien welke overtuigingen het resultaat zouden zijn van het karakter van een ideale man.

    “Helaas, naarmate zij ouder werd, dacht zij van zichzelf een filosoof te zijn, gaf zij het schrijven van fictie op om de leider te worden van een beweging.”

    Rand studeerde filosofie (en geschiedenis). Het Ayn Rand institute heeft de volgende mensen aangetrokken:

    Christian Beenfeldt (Ph.D. in Philosophy)
    Andrew Bernstein (Ph.D. in Philosophy)
    Harry Binswanger (Ph.D. in Philosophy)
    Yaron Brook (PhD in Finance)
    Alex Epstein (B.A. in Philosophy)
    Robert Garmong (Ph.D. in Philosophy)
    Onkar Ghate (Ph.D. in Philosophy)
    Elan Journo (B.A. in Philosophy)
    Leonard Peikoff (B.A. in Philosophy)

    Wat zien al die mensen toch in ‘iemand die dacht een filosoof te zijn’…

    Timmo [7] reageerde op deze reactie.

  4. Wim schreef op : 5

    Op Rothbard valt ongetwijfeld een en ander aan te merken, maar zijn parodie op de vreemde gedragingen binnen de Randsekte is heel geslaagd. Rands grootste verdienste is dat ze met haar boeken veel mensen met het libertarisme heeft laten kennis maken, dat geldt ook voor mij, in een tijd dat je in Nederland alleen maar linkse en christelijke partijen had, en daarnaast een vvd, waar ik ook allesbehalve gelukkig mee was.

    Maar als filosoof stelt ze niets voor, ze probeert haar standpunten (die op zichzelf vaak verdedigbaar zijn) te rationaliseren met kromme logica, waarmee ze denkt haar ideeën te kunnen bewijzen, terwijl er gaten in zitten waar hele colonnes trucks doorheen kunnen rijden. Zelfs Nathaniel Branden, haar voormalige topman, “intellectueel erfgenaam” en minnaar, heeft dit later enigszins toegegeven: “I know what we were in a position to prove, I know where the gaps are. And so can anyone else—by careful, critical reading. It’s not all that difficult or complicated.”

    Typerisch voor het sektarisch karakter van het Objectivisme zijn ook de vele schisma’s en excommunicaties. Het eerste grote schisma was natuurlijk de breuk met Branden, andere zijn o.a. de breuk met David Kelley, met George Reisman en Edith Packer, en recentelijk de affaire McClaskey. Deze laatste ontstond naar aanleiding van het boek “The Logical Leap” van David Harriman, een obscuur fysicus zonder enig wetenschappelijk artikel op zijn naam, die het “eeuwenoude probleem van inductie” even zou oplossen (Rand gaf tenminste nog toe dat ze dit probleem niet kon oplossen). Oorspronkelijk zou hij samen met Leonard Peikoff dit boek schrijven, maar deze laatste had zich teruggetrokken en zich beperkt tot het schrijven van een aanbeveling. Nu had McClaskey, een erkend specialist in wetenschapsgeschiedenis, waar het boek zich ook voornamelijk op baseert, en lid van de Board of Directors van het Ayn Rand Institute, enige kritiek op bepaalde tekstpassages in een voorlopige versie van het boek. Let wel: dit was *interne* kritiek, vóór publicatie, bedoeld om de kwaliteit van het boek te verbeteren. Maar Peikoff, die zichzelf tot “intellectueel erfgenaam” van Rand had benoemd, duldde geen enkele kritiek, want het had zijn aanbeveling gekregen, en dus stelde hij een ultimatum: “When a great book sponsored by the Institute and championed by me — I hope you still know who I am and what my intellectual status is in Objectivism — is denounced by a member of the Board of the Institute, which I founded, someone has to go, and will go. It is your prerogative to decide whom.” Een typisch voorbeeld van een argumentum ad verecundiam. Peikoff heeft geen contact met McClaskey gehad, gaat niet in op diens argumenten, maar beroept zich op zijn “intellectuele status” om McClaskey eruit te gooien. Een ander argument van Peikoff contra McClaskey: “I regard him as an obnoxious braggart as a person, and a pretentious ignoramus as an intellectual.” Tja, zo zijn dus de manieren van het huidige Randian opperhoofd.

    Ander voorbeeld: Andrew Bernstein publiceerde een ingezonden brief in The Journal of Ayn Rand Studies, als reactie op een kritiek op zijn CliffsNotes van een aantal boeken van Rand. Hij werd direct door de oppergoeroe van ARI op het matje geroepen en moest diep door het stof gaan omdat hij het gewaagd had een brief te sturen naar een niet door ARI gesanctioneerd tijdschrift: “‘The so-called Journal of Ayn Rand Studies is filled with writings by people with whom I refuse to knowingly associate under any circumstances. I deeply regret my thoughtless decision to contribute to this journal, and hereby irrevocably repudiate any and all association with it. In this regard, the fault is entirely my own. This journal does not hide what it is. Its contents are available on the Internet for all to see. In failing to do the requisite research and gather the necessary data, I failed to properly use my mind. I must now suffer the consequences of that. To all who are sincerely concerned with objectivism, I apologize, and recommend a complete repudiation and boycott of this journal. …’

    Ander voorbeeld: Harry Binswanger heeft een eigen discussiegroep op Internet, maar om daaraan mee te doen, moet je je wel houden aan een “loyalty oath”:

    “I do not make full agreement with Objectivism a condition of joining my list. However, I do exclude anyone who is sanctioning or supporting the enemies of Ayn Rand and Objectivism. “Enemies” include: “libertarians,” moral agnostics or “tolerationists,” anarchists, and those whom Ayn Rand condemned morally or who have written books or articles attacking Ayn Rand. I do not wish to publicize the myriad of anti-Objectivist individuals and organizations by giving names, so if you have questions about any such, email me privately and I will be glad to discuss it with you.” Hoezo, sekte?

    Ook nog interessant om te weten is dat Peikoff bezig is met een boek over zijn zelfbedachte DIM-theorie. DIM staat hierbij voor Disintegration, Integration en Misintegration. Het is een methode om de filosofie van personen te karakteriseren: je hebt daarbij D1, D2, M1, M2, I1 en I2 personen, waarbij 1 en 2 aangeven of je nog niet helemaal of juist wel helemaal D, I, of M bent. Ik heb een reeks lezingen van Peikoff gehoord (destijds op de ARI site gepubliceerd), waarin hij deze “theorie” presenteert, en dat is werkelijk hilarisch. Met droge ogen classificeert hij bijvoorbeeld grote wetenschappers als Einstein en Feynman als respectievelijk M1 en D1, in andere woorden: Einstein integreerde wel maar op de verkeerde manier, en Feynman desintegreert alleen maar. Ongetwijfeld omdat zijn exponenten zijn van de “corruption of modern physics” zoals de Randianen maar al te graag beweren. Nee, dan Harriman, de grote fysicus en filosoof, die lost eventjes eeuwenoude problemen op!

    Hoe kan iemand zulke kwakzalvers nou nog serieus nemen?

    Liberty 5-3000 [6] reageerde op deze reactie.

  5. Liberty 5-3000 schreef op : 6
    Liberty 5-3000

    @Wim [5]:

    Maar als filosoof stelt ze niets voor, ze probeert haar standpunten (die op zichzelf vaak verdedigbaar zijn) te rationaliseren met kromme logica, waarmee ze denkt haar ideeën te kunnen bewijzen, terwijl er gaten in zitten waar hele colonnes trucks doorheen kunnen rijden.

    Prima. dat je dit stelt, maar het enige repliek wat er dan moet volgen is waar die enorme gaten zitten waar “hele colonnes trucks doorheen kunnen rijden”. De rest is namelijk alleen maar opinie.
    En ook nog een behoorlijke grove assertie ook.

    Nogmaals. Er is altijd sprake van voortschrijdend inzicht.
    Dat noemen we progressie.
    Echter.
    Iemand als Rand neerzetten als een nietszeggende filosofe.
    It takes some balls.

  6. Timmo schreef op : 7

    @Def [4]: Dank voor de link naar het interview met Ayn Rand. Interessante uiteenzetting. En natuurlijk zitten er gaten in veelomvattende filosofische concepten die uitgedacht worden. Ze maakt een paar goede punten. o.a. over Kant, dat daar de ommezwaai kwam dat onze waarneming en perceptie niet te vertrouwen is. Ze heeft zeker een aantal goed punten.

  7. Wim schreef op : 8

    Een voorbeeld is hoe Rand het “is-ought” probleem meent te kunnen oplossen. Rand: “In answer to those philosophers who claim that no relation can be established between ultimate ends or values and the facts of reality, let me stress that the fact that living entities exist and function necessitates the existence of values and of an ultimate value which for any given living entity is its own life. Thus the validation of value judgments is to be achieved by reference to the facts of reality. The fact that a living entity is, determines what it ought to do. So much for the issue of the relation between “is” and “ought.”

    Dit is een klassiek voorbeeld van equivocatie. Het “is-ought” probleem van Hume betreft de prescriptieve, morele betekenis van “ought”, terwijl Rands voorbeeld descriptief is (als je A wilt bereiken, moet je B doen, wat niets zegt over de wenselijkheid van A). Het probleem van Hume is juist dat je niet van een descriptieve betekenis een prescriptieve kunt afleiden.

    Rand probeert die wenselijkheid af te leiden uit het idee dat “leven” de ultieme standaard is, omdat er zonder leven geen waarden of moraliteit kan bestaan. Dat is op zichzelf al een misvatting, dat iets een *noodzakelijke* randvoorwaarde voor moraliteit is, betekent nog niet dat het daarom de ultieme standaard daarvoor is. Maar ook al zou dit wel zo zijn, dan blijft het probleem onoplosbaar, ook al probeert Rand dit te omzeilen.

    Rand: “The standard of value of the Objectivist ethics—the standard by which one judges what is good or evil—is man’s life, or: that which is required for man’s survival qua man.”

    En hier zien we hoe Rand stiekem over het probleem heen probeert te wippen: van puur “man’s survival” (“leven” als ultieme standaard) maakt ze opeens de sprong naar “man’s survival qua man”. Met dat laatste bedoelt ze “leven volgens de principes van het Objectivisme” – productiviteit, zelfstandigheid, niet initiëren van geweld, etc. Nu kunnen we het persoonlijk misschien met die principes in grote trekken eens zijn, maar het punt is dat ze in feite niets heeft afgeleid, ze vult gewoon haar antwoord in, wat ze in het Engels “begging the question” noemen. Je hoeft maar de geschiedenis van de mensheid na te gaan om te zien dat “survival” van personen zeer goed mogelijk is zonder Objectivistische principes. Dat is dan wel niet “survival as man qua man” in de Randiaanse definitie, maar dat betekent dan ook dat je dit niet kunt afleiden uit “leven” als ultieme waarde, en dat is nou juist wat Rand beweert.

    Haar ideeën over “waarde” leiden ook tot bizarre consequenties. Rand geeft de volgende definitie: “‘Value’ is that which one acts to gain and/or keep. The concept ‘value’ is not a primary; it presupposes an answer to the question: of value to whom and for what?” Dit laat nog in het midden of zo’n waarde subjectief (wat de persoon er zelf van vindt) of objectief (onafhankelijk van de mening van de persoon) is. Maar kijken we dan wat Rand te vertellen heeft over het brengen van offers.

    Rand geeft hiervoor de volgende definitie. Rand: “‘Sacrifice’ is the surrender of a greater value for the sake of a lesser one or of a nonvalue.”

    Dit is op zichzelf al een onzinnige definitie, want het negeert het uiteindelijke doel van een offer, namelijk het bereiken van een *grotere* waarde (klassiek voorbeeld: het offer in het schaakspel). We noemen dit een offer wanneer daarvoor iets van waarde moeten opgeven, wat ons pijn doet. Maar we doen dit altijd om iets van nog meer waarde te verkrijgen. Zo kan iemand die van veel snoepen houdt, het heel moeilijk vinden om hiermee te stoppen, maar doet hij dit toch omdat hij uiteindelijk zijn gezondheid of zijn uiterlijk belangrijker vindt. Als een boef ons bedreigt met een wapen, zijn we bereid tot grote offers, omdat we daarmee een nog grotere waarde (ons leven) proberen te behouden.

    Rand geeft ook een aantal voorbeelden, zoals: “If you give money to help a friend, it is not a sacrifice; if you give it to a worthless stranger, it is.” Dit zegt natuurlijk niets *waarom* je je geld aan een “waardeloze” vreemdeling geeft. Dat kan zijn omdat je je bijvoorbeeld bedreigd voelt, of omdat het je een goed gevoel geeft. Dit suggereert dat Rand hier waarden als objectief ziet, dus wat iemand als veel waarde ziet, zou het objectief gezien niet zijn. Maar dan komt ze met het volgende voorbeeld:

    “If a mother buys food for her hungry child rather than a hat for herself, it is not a sacrifice: she values the child higher than the hat; but it is a sacrifice to the kind of mother whose higher value is the hat, who would prefer her child to starve and feeds him only from a sense of duty.”

    Rand geeft hier een voorbeeld van een dichotome keuze: de moeder kan een hoed kopen, wat ten koste gaat van haar kind, of ze kan de hoed niet kopen, maar eten om het kind te redden. In de tweede situatie noemt ze het een “offer” (en er is geen twijfel mogelijk dat Rand offers moreel verwerpelijk vindt) als de moeder het kind redt, ten koste van de hoed. Omdat het een dichotome keuze is, betekent dit dat die moeder volgens Rand moreel zou handelen door die hoed te kopen, ten koste van het kind! Ze gaat hier dus pertinent NIET uit van een objectieve waarde, maar van de waarde zoals die door de persoon zelf wordt gezien. Er is dus geen moreel oordeel mogelijk over de handeling zelf, indien we niet weten hoe die persoon de verschillende mogelijkheden waardeert. Een consequentie hiervan is dat een dief moreel handelt, zolang hij maar veel waarde aan de gestolen goederen hecht, en hij niet “uit plichtsbesef” steelt! En dan beweert ze nog dat zij een objectieve waardetheorie heeft!