maandag, 17 oktober 2011
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Productieve economie

Ik voorspel een toekomstig geluk voor Amerikanen als ze hun overheid kunnen verhinderen dat deze de vruchten van hun arbeid verspillen met als voorwendsel om hen te kunnen verzorgen – Thomas Jefferson

Onderwijssysteem

Hoeveel mensen zijn eigenlijk op de hoogte van de essentie van een productieve economie?

De meeste mensen hebben weliswaar over consumptie gehoord en dat het de motor van de economie zou moeten zijn. Echter, dit zijn Keynesiaanse misvattingen, die ons jammer genoeg reeds meer dan 60 jaar lang hebben bestookt.

Ons westers onderwijssysteem is gebaseerd op het voortbestaan van deze mythes. Het feit is dat we het vanaf de kleuterschool tot aan de universiteit met de paplepel ingegoten krijgen van hoe goed de overheid wel niet is voor ons. Nooit wordt ons een alternatief gegeven met betrekking tot het welzijn en het kunnen verzorgen van zichzelf zonder interventie of bemoeienis van de overheid.

Zo ook met de mythe dat de consumptie de aanjager zou zijn van onze economie. Deze theorie wordt door de overgrote meerderheid van de economen, politici en centrale bankiers aangehangen.

Maar is dat wel zo?

Het antwoord is een volmondig nee! De consumptie is nooit de aanjager geweest en zal het ook nooit worden. Waarom? Omdat we eerst moeten kijken  naar de complete productiestructuur, waar de consumptie maar een onderdeel van uitmaakt.

Omvang economie

De econoom Matthew Yglesias geeft hiervoor een duidelijke verklaring waar het eigenlijk fout is gegaan in ons huidig onderwijs.

Dat zit in deze alom geciteerde formule:

BBP = C + I + O + (X-M),

met andere woorden het Bruto Binnenlands Product (BBP), dus omvang economie = Consumptie (C) + Investeringen (I) + Overheidsuitgaven (O) + Netto export (Export (X) – Import (M)).

Later zal ik zelf uitleggen waarom BBP een onzinnig en nutteloos instrument is om de productiviteit van de economie te meten.

Yglesias geeft hier als voorbeeld:

,,Het Bruto Binnenlands Product wordt voorgesteld als de uitkomst van alle eindgoederen en –diensten in een economie over een bepaalde tijdsperiode, vaak voor een kwartaal. Zodoende worden alleen eindgoederen en –diensten meegerekend, opdat we niet alles dubbel gaan berekenen.

Ergo, als we een tafel maken, dan willen we niet de tafel opnieuw berekenen als we een boom omhakken en weer als we het in planken zagen, alsmede het verwerken in een tafel, het vervoeren naar de groothandel enzovoort. Het is een tafel (eindproduct), prima. Dat is natuurlijk normaal gedacht, alhoewel de meeste economische activiteit niet plaatsvindt tijdens de eindfase van de productie (het maken van de tafel), maar juist tijdens het gehele proces vanaf het omhakken van de boom, dus daar vinden we de meeste economische en menselijke activiteit in terug, niet alleen bij het produceren en aankopen van de tafel.”

In zijn betoog gaat Yglesias verder:

,,Dus wat zou een betere aanpak zijn? Precies, dat is inderdaad de aanpak van de Oostenrijkse School voor Economie, die vele malen beter is.

We moeten namelijk de kapitaal- en productiestructuur van elkaar scheiden. Alleen dankzij het bekijken van de economie vanuit het productieproces kunnen we een beeld verkrijgen hoe de economie werkt en, nog belangrijker, hoe deze groeit.

De economie groeit niet omdat mensen graag spullen ´vragen´. Denk even na, vraag jij meer spullen dan je ouders, grootouders of mensen die 1000 jaar geleden leefden? Zijn we rijk, omdat we eenvoudigweg meer dingen willen dan diegenen die voor ons leefden? Belachelijk toch! Dus, als het niet de vraag is die ons zo welvarend heeft gemaakt, dan moet het juist die andere zaak zijn, waar economen over spreken: aanbod. Juist ja, het is het aanbod dat ons zo welvarend heeft gemaakt.”

Aanbod

Matthew Yglesias geeft haarfijn aan dat aanbod de vraag kan creëren. Het geeft tevens aan hoezeer Keynesiaanse economen het bij het verkeerde eind hadden en een zeer belangrijk onderscheid betreft tussen het macroeconomisch denken van de Oostenrijkse School en de Keynesiaanse benadering.

De Keynesianen kijken maar naar een deel van de economie, de consumptie, en laten daar alles om draaien, terwijl de Oostenrijkse School de complete macroeconomie in ogenschouw neemt. Met andere woorden men ontleedt de productiestructuur in zijn geheel en dan komt men tot de ontdekking dat niet de consumptie belangrijk is, maar juist de reële beschikbaarheid van producten en diensten binnen de economie. De vraag is daar altijd een afgeleide van, zelfs de latente vraag kan pas worden ontdekt als de producten en diensten daarvoor beschikbaar zijn en niet andersom.

Dus om te zeggen dat we de consumptie moeten ‘stimuleren’ om zodoende de productie aan te wakkeren gaat voorbij aan het feit dat de inherente reële en latente vraag van consumenten onbekend is in de meeste gevallen, omdat de producten nog niet zijn uitgevonden of geproduceerd.

We zien het tevens terug in de monetaristische benadering, als men beweert dat er een kwantitatieve verruiming moet zijn om de economie een extra impuls te geven. Ook dat is onjuist, want het enige wat men bereikt is enerzijds een verdere verwatering van het bronkapitaal, in casu het opgebouwde spaarquotum van de bevolking, want meer geld in omloop betekent een verdere afkalving van de waarde daarvan (geldontwaarding) en anderzijds een kunstmatige verhoging van de prijs van producten en diensten, vanwege de hogere grondstoffenprijzen en arbeid, wat de productie- en dienstensector op termijn aantast, uitholt en uiteindelijk drastisch laat afnemen.

Daarom is welvaart uitsluitend afkomstig vanuit een hogere productiviteitsfactor en een grotere productiecapaciteit. Bovendien is de dienstensector immer gerelateerd aan het productiesegment binnen de economie. Als er geen productie is, dan kan er ook geen dienstensector bestaan, daar deze afhankelijk is van dit voornoemde segment.

Economische put

Vandaar dat plannen van Keynesianen, alsmede monetaristen nooit zullen werken, want men ondergraaft het productieve karakter van de economie en zorgt voor een uitholling van het reeds genoemde opgebouwde bronkapitaal.

Bovendien verklaart Yglesias het volgende:

,,Om ons uit de economische put te halen moeten we dus meer produceren. Het is dankzij productie dat we kunnen groeien. Maar hoe groeien wij in een crisiseconomie? We moeten daarvoor de productiekosten omlaag zien te brengen en stoppen met het ophogen van de prijzen en deze in plaats daarvan te laten dalen. Als we de inputprijzen laten dalen en dat betekent eveneens de loonkosten, dan zal de winstgevendheid stijgen. Wanneer de winstgevendheid stijgt, dan zal er meer economische activiteit plaatsvinden van zowel bestaande bedrijven als van nieuwe concurrenten.”

Wat we hieruit kunnen opmaken is dat de basis de lagere kostprijs is van  grondstoffen en arbeid (input), zodoende betekent het een stop op de geldhoeveelheidsexpansie, waardoor de stijging van de grondstoffen zal aftoppen en zelfs gaat dalen met een groeiende productiviteit in die sector. Tegelijkertijd wanneer er geen monetaire inflatie is, dan zullen de loonstijgingen ook ten einde lopen en de extra kosten voor de productieve sector wegvallen. Zoals Yglesias duidelijk maakt komen alle kosten die kunnen worden verlaagd ten goede aan het productieproces. Bijvoorbeeld wanneer we kijken naar de belastingen, zowel de vennootschapsbelasting als de hoge inkomstenbelasting zijn deze een groot euvel voor de productieve economie, daar deze moeten worden doorberekend in de prijzen. En men weet dat een hogere prijs doorgaans een afvlakking of daling van de vraag betekent.

Dus in plaats van de belastingen te willen verhogen, onder het mom van de ´rijken´ of ´welgestelden´ te willen aanpakken, wat zeer populair is in sommige kringen, zouden deze belastingen juist moeten worden verlaagd voor iedereen. Stel dat er een vlaktaks is van 20%, dan kunnen alle andere belastingaftrekposten worden afgeschaft, want 20% is het maximum dat wordt opgehaald voor de essentiële overheidstaken, zodat de consument de andere 80% naar eigen believen kan besteden, zoals het kopen of het huren van een huis, het starten van een bedrijf, het investeren in ondernemingen of het sparen voor een pensioen bijvoorbeeld. Momenteel verdwijnt veel kapitaal richting onproductieve sectoren, zoals belastingadviseurs, fiscale juristen, accountants en dergelijke alleen maar om de belastingdruk proberen te verlagen via allerlei constructies en ontwijkingen.

Investeringskapitaal

Het investeringskapitaal wat vrijkomt zal dan behoorlijk zijn, omdat deze in plaats van zich in onrendabele en onproductieve sectoren te gaan begeven, zoals staatsprojecten (hoge belastingen), speculatieve schulden (niet-zelfliquiderend krediet) of failliete bancaire instellingen (kwantitatieve verruiming), dit kapitaal haar weg zal vinden naar de productieve sectoren, zoals industrie en handel, welke de werkelijke motoren van de economie zijn.

Tegelijkertijd kan er dan een afbouw plaatsvinden van de staatssectoren, omdat deze sectoren, denk maar aan onderwijs en zorg, veel beter worden bediend door private bedrijven. De overheid kan zich dan toeleggen op noodzakelijke bezigheden zoals de rechtspraak, waaronder die voor de handel en industrie, bescherming en veiligheid van de burgerij. Met de vrijkoming van het kapitaal in de private sector zal er dan eveneens een enorme stijging voordoen in de voormalige staatssectoren. We kunnen zien aan landen als Singapore en Hong Kong hoe zo´n beleid zich heeft vertaald in productiviteitsgroei en welvaart over de afgelopen vijf decennia. Ver boven die van de andere westerse landen zelfs.

Derhalve moeten we ons altijd realiseren dat consumptie, banen en welvaart het gevolg zijn van productie en nooit de oorzaak daarvan. Hoe lang zal het  duren alvorens de meeste politici van dit feit doordrongen zijn?

 

Essays:

Production, consumption, and prosperity; Matthew Yglesias, Think Progress, Center for American Progress Action, Washington, USA, 13 december 2010

Money for nothing; Frank Shostak, Mises Institute, Auburn Al, USA, 22 februari 1999

Keynesian solutions, After total failure, try, try again; James Quinn, Financial Sense, San Diego, Ca. USA, 23 augustus 2011

More Monetary Experimentation Is On Its Way; Peter Tenebrarum, Financial Sense, San Diego, Ca. USA, 31 augustus 2011

Quantitative easing is good for the rich, bad for the poor; Heather Stewart, The Guardian, Londen, UK, 14 augustus 2011

 

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars

Door , topic: Belastingen, Economie, Educatie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. The Red Pill schreef op : 1

    Uitstekend artikel wederom. De overheid zou zich echter ook niet moeten bemoeien met rechtspraak want ook daar heeft ze bewezen een potje van te maken.

  2. Jhon schreef op : 2

    De motor van de economie
    • kondratieff-golf
    is een lange golfbeweging, waarvan één cyclus een periode van 30 à 50 jaar betreft. De golfbeweging kan opgevat worden als een schommeling in de trend (productiecapaciteit). Deze schommeling kan worden verklaard door het gelijktijdig optreden van baanbrekende innovaties (de zogenaamde basisinnovaties). Hierdoor ontstaan er periode van vette en magerige jaren. Tot nu toe kan men vijf perioden van vette jaren onderscheiden.
    Eerste periode vette jaren van ongeveer 1780 tot 1815 met als basisinnovaties de textielindustrie, het toepassen van waterkracht, het aanleggen van havens, kanalen en verharde wegen en straten.
    Tweede periode vette jaren van ongeveer 1845 tot 1875 met als basisinnovaties de spoorwegnetten, de gasverlichting en de telegraaf.
    Derde periode vette jaren van ongeveer 1890 tot 1916 met als basisinnovaties de elektrotechniek, de automobielindustrie en de opkomst van de chemie.
    Vierde periode vette jaren van ongeveer 1944 tot 1975 met als innovatie de snelle verspreiding van een reeks duurzame huishoudelijke consumptiegoederen.
    Vijfde periode vette jaren van ongeveer 1995 tot misschien 2020? met als innovatie de talrijke ICT-toepassingen
    Let wel dat tussen de perioden van vette jaren de perioden van magere jaren liggen!
    (bron: ESB nr 4245, blz 171; artikel van Alfred Kleinknecht, hoogleraar innovatie, TU De

    Andre [3] reageerde op deze reactie.
    Albert S. [5] reageerde op deze reactie.

  3. Andre schreef op : 3
    Andre

    @Jhon [2]:

    Note to self: artikel afmaken dat de Kondratieff-golf weerlegt.

    “Hoe lang zal het duren alvorens de meeste politici van dit feit doordrongen zijn?”

    Wat dacht je hiervan:
    Dat gebeurt in de spreekwoordelijke 3 fases:
    1. nu niet
    2. dan niet
    3. nooit niet (als in: niet, of nooit)

  4. leo schreef op : 4

    Derhalve moeten we ons altijd realiseren dat consumptie, banen en welvaart het gevolg zijn van productie en nooit de oorzaak daarvan. Hoe lang zal het duren alvorens de meeste politici van dit feit doordrongen zijn?

    www.tijd.be

    ‘We hebben systeemcrisis vermeden’

    Voor hoelang gezien het kostenplaatje ?

  5. Albert S. schreef op : 5

    @Jhon [2]: Een aardig schema van Kleinknecht, alleen moet je kijken naar de aandelen-, vastgoed- en obligatiemarkten, alsmede de rentestanden, grondstoffenprijzen e.d. Kondratiev keek namelijk naar deze zaken. Ook in de crisis van de jaren 30 werden dingen uitgevonden, zoals de aansteker, televisie, nylon etc. Met andere woorden de technologische innovatie ligt niet stil. Sterker nog bij crises ontstaat er vaak een stroomversnelling. Maar dat betekent natuurlijk niet dat de magere jaren voorbij waren, dat gebeurde pas in 1948 na de grote depressie en de oorlogsjaren. Kleinknecht heeft wel een spoor gevonden, maar de tijdschema verkeerd ingeschat.