Om onszelf te beschermen tegen een stortvloed aan Chinees textiel en ons inkomen te verzekeren tegen Poolse arbeiders die een hongerloontje accepteren, moeten we onze grenzen sluiten voor deze invloeden.
Ondanks dat de EU een vrij verkeer van personen, goederen en diensten voorstaat, mogen de Polen dus niet zomaar in Nederland aan de slag. Dit zorgt er voor dat de Nederlandse werknemer zijn baan en dus zijn inkomen beschermd worden tegen oneerlijke concurentie door Polen die sowieso lager opgeleid zijn.

Ook kan de Europese textielindustrie rustig blijven produceren en zo goederen van een betere kwaliteit leveren dan de Chinezen doen, en ondertussen onze eigen Hollandsche Jongensch en Meisjesch in dienst houden tegen een acceptabel loon.
Of toch niet? Zou het anders kunnen zitten?

Het afschermen van een markt in een willekeurig gebied om zo allochtone producenten van vergelijkbare goederen en diensten, en de eigen werknemers te beschermen tegen als oneerlijk ervaren concurrentie, noemen we Protectionisme.
Dit protectionisme bestaat in de praktijk uit een heel stelsel van Tolheffingen, Quota’s, Belastingvoordelen en -nadelen, Importheffingen en Diplomatieke Afspraken.
Uit de geschiedenis leren wij dat de enige banen die hierdoor beschermd worden, die van de controlerende ambtenaren zijn. De branches die ervan profiteren zijn dus alleen de politiek en de overheid.

Wanneer namelijk een land één of meerdere markten probeert te beschermen, is dit volgens de wet van Onbedoelde Consequenties indirect nadelig voor een heel stel andere branches.
Een voorbeeld is de regering Reagan, die begin jaren 1980 de staalindustrie in de VS wilde beschermen met heffingen op buitenlandse staalproducten. Ronnie Raygun beschermde inderdaad 17.000 banen in de staalindustrie zelf. Hij bracht echter zoveel schade toe aan de staalverwerkende industrie, die nu veel meer moest betalen voor haar grondstoffen, dat daar 53.000 banen verdwenen. Netto verdwenen er 36.000 banen.

Vanuit de EU -hoofdsteden Brussel en Straatsburg komen allerlei geluiden om winstgevende industrieën, zoals textiel, tabak of meubilair en prestige leverende industrieën als de auto-industrie, de luchtvaartindustrie, maar ook scheepsbouw en de defensie-industrie te beschermen door importbeperkingen.
Een aantal argumenten snijden hout; het is verstandig om zelf een defensie-industrie te houden. Net als het als zeevarend land slim is om schepen te kunnen bouwen. Hier werkt slim aanbesteden en orders uitzetten beter dan het beperken van de import.
Maar wanneer men begint met argumenten als het beschermen van arbeidsplaatsen tegen oneerlijke concurrentie uit lage -lonenlanden, onthoud dan dat dit vaak dezelfde landen zijn wiens economieën we aanmoedigen met ontwikkelingshulp!
Het beperken van de import van goedkope buitenlandse producten doet de prijs van het in eigen land gemaakte alternatief namelijk stijgen. Wanneer dit product voor consumenten gemaakt is, zullen zij zich minder kunnen veroorloven en zo daalt de omzet van de producent met alle gevolgen voor uiteindelijk zijn personeelsbestand.
Wanneer het product een halffabrikaat is, gebeurt dit bij zowel de producent als de verwerker ervan.
Ondertussen is de arbeider in het lage lonen cq. -ontwikkelingsland zijn baan kwijt en weer afhankelijk van hulp van de mensen die hem in eerste instantie zijn baan afpakten!

Er is ook een indirect probleem: Doordat allerlei markten zijn afgeschermd, worden ook allerlei producten duurder. Dit zorgt ervoor dat om de koopkracht in stand te houden, de lonen van het personeel ook gaan stijgen. Dit wordt door producenten doorbelast in de prijs van hun product. Het gebrek aan concurrentie leidt dus tot hogere kostprijzen.
Dit is onder andere de reden dat in landen als Japan zaken zo enorm duur zijn. Ook Duitse auto’s die verplicht gemaakt worden van door beschermde arbeiders geproduceerd staal, zijn door dit effect veel duurder dan vergelijkbare auto’s. De bonden moeten dus niet de producenten aanpakken maar de mensen die zeggen dat ze hen beschermen vanuit het kabinet!

31 REACTIES

  1. Wij zijn niet bang voor de Polen, maar de Turken. Dáár moeten we ons zorgen over maken; als deze in de EU komen, lopen wij de kans minder snel een baan te krijgen, omdat het hoogste percentage jongeren in Turkije een universitaire opleiding heeft genoten. We moeten daarom verder kijken dan onze neus lang is en niet meteen over de Polen gaan beginnen. Wat zou jij doen als je in Polen leefde en in Nederland zou kunnen werken en in een kwartaal genoeg kan verdienen voor een jaar in Polen?!

Comments are closed.