- Vrijspreker.nl - https://www.vrijspreker.nl/wp -

Het recht op discriminatie en het recht op vrije meningsuiting

discriminatie-en-vvmuCasus: Laatst zat ik in de Thalys tussen Parijs en Brussel en had een gesprek met twee Nederlandstalige medepassagiers over de multiculturele samenleving. We spraken op normale, vrij zachte toon, toen plotsklaps bleek, dat wij enkele belangstellende medeluisteraars hadden. Vanuit een coupé verderop namelijk dook onder luidkeels gekrijs plotseling een zwarte vrouw op, die onder het schreeuwen van: “Jullie hebben ons gediscrimineerd, jullie zijn vuile slavenhandelaren, wij willen compensatie,” nogal dreigend op ons afkwam. Wat doe je dan?

We waren uiteraard niet van plan met haar in discussie te gaan over het onderwerp, althans niet in eerste instantie. We waren immers niet on speaking terms. Wel verzochten wij haar kalm te blijven en zich rustig terug te begeven naar haar eigen gereserveerde zitplaats. Dat hielp niet, maar omdat haar gezelschap er zich ook mee begon te bemoeien, ontstond een heuse rel. En zo werd het geschil, dat steeds heftiger werd,  toch nog enigszins “inhoudelijk” – in de trant: “Wat hebben wij te maken met slavendrijvers?”-, ofschoon we daar helemaal geen zin in hadden. Pas toen na een minuut of tien haar gezelschap er genoeg van kreeg, begon ze terugtrekkende beweging te maken. Tierend en tegensputterend zocht ze haar plaats weer op, waarmee het incident werd gesloten.

Tot zover de casus.

Commentaar:

Ik wil vooropstellen, dat ik hier mijn enigszins juridische opvatting als libertarier naar voren wil brengen, niet omdat ik mijn wellicht subjectieve mening belangrijker zou vinden dan die van welke andere dan ook (quod non), maar wel, om de lezer deelgenoot te maken van enkele relevante overwegingen, die een bepaalde in mijn ogen objectievere opvatting de voorkeur geven boven een willekeurige minder objectieve (subjectieve) andere.

Beknopte juridische analyse:

Steeds vaker doen zich conflicten in de multiculturele samenleving voor, waarbij een beroep op fundamentele rechten, i.c. anti-discriminatie wetten wordt gedaan. Is dat altijd op zijn plaats?

Daarvoor kijken we het beste naar het doel en de betekenis van onze “fundamentele rechten” en in dit geval naar twee heel bijzondere: het anti-discriminatiebeginsel en het recht op vrijheid van meningsuiting.

Discriminatieverbod en het eigendomsrecht:

In de eerste plaats moeten we vaststellen, dat het recht op discriminatie in onze samenleving niet wordt erkend. Integendeel, niet alleen verbiedt art. 1 Grondwet discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook (sic!), maar dit verbod is ook neergelegd, zij het in andere bewoordingen, in internationale wetgeving (BUPO, EVRM), en wordt nader uitgewerkt in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB), het Wetboek van Strafrecht en ontwikkeld in nationale en internationale jurisprudentie.

Bij nadere beschouwing moeten we vaststellen, dat het discriminatieverbod praktisch lijnrecht indruist tegen een ander fundamenteel recht, namelijk het eigendomsrecht. Het valt immers gemakkelijk in te zien, dat het eigendomsrecht, dat voor de mens noodzakelijk is om hem in staat te stellen op vreedzame wijze de vruchten van zijn prestatie te kunnen genieten, door dit verbod wordt doorkruist.

In elk geval moet hieruit worden afgeleid, dat er -als er bij het discriminatieverbod ook objectief gezien sprake is van een fundamenteel recht- een rangorde moet bestaan tussen het eigendomsrecht en het discriminatieverbod.

M.a.w. het is ondenkbaar, dat het discriminatieverbod het eigendomsrecht geheel opzij zou kunnen zetten.

Maar zou het er afbreuk aan kunnen doen? Ook dat lijkt onvoorstelbaar. Als we dat accepteren, en dat lijkt volstrekt logisch, dan moeten we concluderen, dat het eigendomsrecht in concrete gevallen prevaleert boven het discriminatieverbod.

Discriminatieverbod en vrijheid van meningsuiting

Wanneer kan het discriminatieverbod dan wel worden ingeroepen? Was dat in de casus aan de orde?

Dat laatste lijkt niet het geval, want in de eerste plaats had ons gezelschap haar niets gevraagd, veeleer drong zij zich op onbeschofte wijze op en maakte inbreuk op onze vrijheden. Met name op onze vrijheid van meningsuiting door zich op dreigende toon in het gesprek te mengen en onze conversatie onmogelijk te maken.

Maar bovendien maakte haar geschreeuw een zinvol gesprek met haarzelf, als we dat al gewild zouden hebben, sowieso onmogelijk.

Conclusie:

Ook hieruit blijkt dat, voor er van zinvolle communicatie sprake kan zijn, er aan bepaalde formele randvoorwaarden moet worden voldaan. In de gegeven omstandigheden was dat om te beginnen een bepaalde mate van minimaal wederzijds begrip tussen partijen. Daaruit blijkt de noodzaak van het recht op discriminatie, want niemand kan gedwongen worden tot communiceren, laat staan tot  zinloos communiceren.

Daarentegen was er wel degelijk sprake van inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van de gesprekspartners door het dreigend gedrag van de zwarte vrouw.

Naar mijn mening hadden de gesprekspartners dan ook het volste recht haar deelname aan het gesprek te weigeren. Zij konden zich daarbij niet alleen beroepen op het recht op discriminatie, maar ook op het recht op vrijheid van meningsuiting.

En hoe zit het met de vrijheid van meningsuiting van de zwarte vrouw? Die is in de gegeven omstandigheden niet aan de orde. Immers, zij kan haar mening praktisch overal verkondigen waar zij maar wil, mits zij zich aan normale regels en randvoorwaarden houdt. Dat was in casu niet het geval.

Verdieping:

Voor verdere verdieping over het onderwerp “discriminatie” en “vrijheid van meningsuiting” wil ik verwijzen naar:

www.libertarian.nl

www.libertarian.nl