“If one uses a baton, the baton itself must be a living thing, charged with a kind of electricity, which makes it an instrument of meaning in its tiniest movement.”
[Leonard Bernstein, Amerikaans componist, dirigent en pianist, 1918 – 1990]

Bijl

Bijl was de eerste die ik naar de verdoemenis joeg. Ik wist natuurlijk waar hij werkte, maar ik kon hem moeilijk op zijn werk te pakken nemen. De bijl aan de wortel moest wachten. Maar krijgen zou ik ze, de schoften. Allemaal. Zonder uitzondering. Ze dachten toch niet dat ze er zomaar mee konden wegkomen? Dat ze ongestraft een levenswerk konden vernietigen? Ik schaduwde vriend Bijl tot ik erachter was waar hij woonde. Hij leefde alleen, was geen uitgaanstype en vormde daarom het gemakkelijkste doelwit.

Met Ravels Boléro op de achtergrond had ik door mijn kijker gezien dat hij de boodschappentas van dat ouwe mens dat naast hem woonde naar boven sjouwde. Ik dacht eerst dat het zijn moeder was. Dat maakte me weekhartig. Zo lief, als hij voor zijn moeder zorgde.

Focus, Hubertus. Focus. Hij is geen lieverdje.

Vervolgens dacht ik dat zij een of andere hospita was. Hij was echt zo’n type dat bij zo’n ouwe taart inwoonde, met die leren schooltas van hem die hij meenam naar kantoor om belangrijk te doen en het bovenste knoopje van zijn overhemd altijd dicht. Toen ik een praatje maakte met de postbode bleek dat niet zo te zijn. Dat geeft eens te meer aan hoe belangrijk het is, hoe essentieel het is, om feiten te verifiëren. Check en dubbelcheck. Zoals ma me had bijgebracht. Je kunt niet iemand veroordelen op onjuiste feiten.

Dat behulpzame gedoe van die klerelijer! Die ouwe vrouw moest eens weten wat een keiharde moordenaar het was. Of misschien wist ze het wel, maar deed ze niets met die wetenschap. Zulke mensen heb je. De meesten steken hun harses in het zand. Of, nog erger, kijken weg. De lafbekken. Maar ik, Hubertus van Dam, Berry voor mijn vrienden, ben anders. Problemen zijn er om aangepakt te worden, met wortel en tak uit te roeien. Zoals ma het me had geleerd. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Kom maar op, zei ma altijd. Ik balde mijn vuisten toen ik weer dacht aan al die ellende die pa had moeten doormaken.

En dan dat lachje van Bijl. Een irritatieprikkel van de eerste orde. Een nicht zou er misschien jaloers op zijn, maar voor mij bewees het hoe superieur de arrogante hufter zichzelf voelde. Hoezeer hij van mening was dat hij altijd gelijk had. Het kwam over als zo’n overwinningsgiechel. Het joeg de rillingen over mijn rug. Dat grietje van zijn werk, dat volgens mij zijn kont nog afveegde, vond het allemaal best. Wat zijn mensen toch kortzichtig. Ze zag toch wel hoe hij was? Of was ze zelf ook zo? Voor een paar tellen dacht ik dat ik ze allebei te grazen moest nemen, maar dat verwierp ik.

Focus, Hubertus. Focus. Falen is erger dan sterven. Je bent geen moordenaar. Je bent rechtschapen. Rechter van genoegdoening, en beul. Geen leuk werk, maar noodzaak.

Bijl had zijn recht om te leven verspeeld. Punt. Hoezeer dat vrouwtje ook om hem heen draaide, ik moest haar met rust laten. Ze had niets gedaan, niet direct in ieder geval. Ze viel hooguit voor foute mannen.

Wel verkneukelde ik me erover, dat hij niet leek door te hebben dat ze hem wel zag zitten. Of voelde hij zich te goed voor haar? Dat zou het verklaren. Of hij was een kontruiter. Niet dat ik wat tegen homo’s heb, maar ook dat zou het kunnen verklaren. Uit niets bleek dat hij op mannen viel, althans hij had geen innige ontmoetingen met mannen, geen bezoek aan obscure parkeerplaatsen of aan cafés die bekend staan als homobars. Nou ja, het maakte ook geen flikker uit.

Ik moest zijn bedenkelijke rol voor iedereen duidelijk maken. Executiemethode: een opduvel met een bijl. Met één klap zijn hersenpan splijten. Genadeloos, net zoals hij het been waar pa nog op stond eraf had gehakt. Dat de mensen dit weerzinwekkend vonden – tenminste, dat stond in de krant – was jammer. Ik kon er niet echt mee zitten.

Lokvogel

Lokvogel was de tweede die ik om zeep hielp. Het wicht dat zich heel wat verbeeldde. Heel wat. Het nuffige wijf dat haar weelderige boezem in de strijd wierp om gedaan te krijgen wat ze wilde. En haar gebit. Hagelwitte tanden; oogverblindend gewoon. Onweerstaanbaar voor mannen die niet verder kijken dan de lengte van hun piemel.

Pa was altijd al gecharmeerd geweest van een knap snoetje en trapte erin met boter en suiker. Als ma nog had geleefd, had ze ervoor gezorgd dat hij zijn mannelijke hormonen van zijn zaken had gescheiden. Ik had hem nog gezegd dat hij goed naar de kleine lettertjes moest kijken, dat er morgen een ander op die stoel zou zitten en dat dan alleen telde wat op papier stond. ‘Ach,’ had hij gezegd, ‘het gaat om vertrouwen.’ Ik had hem gezegd dat vertrouwen prima is, maar wat niet op papier staat, is niet gezegd. Weggewimpeld had hij het, de sukkelaar. Vond dat ik te veel naar ma had geluisterd. Verdomme, deed hij dat ook maar.

Lokvogel squashte met een vrouw van haar leeftijd. Dat was een gewone vrouw. Zou ik op kunnen vallen: kort, steil, zwart haar. Kordaat. Brildragend, wat haar een intelligente uitstraling gaf, net als mijn ma. Sexy ook. Niet zo knap, maar ook weer niet lelijk. Heb je ook niks aan, aan die modellentypes. Die heb je nooit alleen, zei ma altijd. Er zwermen altijd hanen om zo’n kip. Mijn achtergrondcheck bracht snel aan het licht dat ze een studiegenoot was van Lokvogel. Ook Economie. Verbaasde me niets. Haast iedere jongeling van achttien dacht dat Economie de route was naar grote rijkdom. Of Rechten. Niet zo vreemd. Wel achterlijk dat ze met die verraderlijke trut omging, maar ja, niemand is perfect.

Na het squashen ging Lokvogel altijd linea recta naar huis, in die yuppie-auto van ’r. Zo’n klein ding. Onderstreepte haar hulpeloze uitstraling. Ik zag haar zo voor me met pech langs de snelweg met een pruillip en betraand gezicht. Ongetwijfeld zou er een macho stoppen die in haar act zou stinken, verwachtend, of althans hopend, dat de nacht zou brengen waar hij al jaren over droomde. Een heks was het. Een heks die argeloze mannen betoverde en in haar netten verstrikte. Een helleveeg die niets-en-niemandontziend anderen in het ongeluk stortte door ze te verleiden een wurgcontract te tekenen.

Onder het genot van de Vijfde Symfonie van Beethoven bedacht ik dat haar bedriegelijke schoonheid moest worden vernietigd. De mensen moesten zien hoe ze werkelijk was. Haar verdorven innerlijk moest zich weerspiegelen in haar uiterlijk. Ik zat er dan ook geen milliseconde mee om te doen wat ik deed. Toen ze naar haar auto liep, ging ik haar tegemoet en sproeide ik met een plantenspuit benzine in haar gezicht. Ze schreeuwde en wreef in haar ogen. Een vlammetje en whoefff. Dat was pas gillen. Heerlijk. Net goed. Dat gekrijs was muziek in mijn oren. De wereld was verlost van een ander bedenkelijk sujet.

Mes

Nummer drie die ik een enkele reis naar de hel bezorgde, was Mes. Ik had hem tegelijk met Bijl willen pakken. Tenslotte werkten die twee innig samen: nadat Bijl je been eraf heeft gehakt, komt vervolgens Mes om je de strot door te snijden.

Mes had van die koude oogjes achter dikke brillenglazen en van dat strak, achterovergekamd haar dat in model werd gehouden door een klodder gel. Zo’n bevel-is-beveltype. Zo’n meedogenloze moordenaar die zich achter zijn bazen verschuilt. Een logisch vonnis en het zou me weinig hoofdbrekens kosten zijn kop van zijn romp te scheiden. Wagner past bij hem, of toch niet?

Maar hij verwarde me. Hij was getrouwd, kinderen in de twintig, twee-onder-een-kapwoning. Thuis deed hij vrijwilligerswerk in een kasteeltuin, zat in het bestuur van de plaatselijke volleybalvereniging en ging altijd mee met zijn jongste dochter die op hoog niveau judode. Dat paste niet bij zo’n ijskoude saneerder die alleen naar euro’s kijkt en geen oog heeft voor het menselijk leed erachter.

‘Pathétique’, de zesde symfonie van Tsaikovsky, galmt in mijn hoofd. Focus, Hubertus, focus. Falen is erger dan sterven. Je laat je emoties te veel dicteren. Mes was een stout jochie. Heeft persoonlijk – ik herhaal: persóónlijk – de keel van je vader doorgehaald, zoals bij een varken in een slachterij. Herschik je gedachten. Richt je op je doel. Je doel, Hubertus! Dood moet hij en wel pijnlijk. Pijnlijk, hoor je?

Het plan was eenvoudig. Opwachten, van achteren besluipen en een haal met het jachtmes dat ik speciaal in Duitsland had gekocht. Zo’n ding met van die kartels op het lemmet, net boven het heft.

Dirigent

Dirigent moest de afsluiter worden.

Kijk, wij hadden het altijd goed. Pa en ma hadden een bloeiende groothandel in bouwproducten. Hard werken, natuurlijk, maar de winsten kwamen als gebraden hanen onze monden binnenvliegen. Jaar in, jaar uit.

Toen die kanker ma te pakken kreeg, ging het minder. Pa was zorgeloos met geld. Geld moet rollen, was zijn devies. Ma was zo niet. Ik hoor het haar nog zeggen: eerst het geld in je handen hebben, voordat je het uitgeeft. Beloftes om betaald te worden tellen niet. Je bouwt vermogen op door op uitgaven te besparen, niet door meer omzet. Pa hield van nieuwe dingen, van avontuur. Altijd gas geven. Maar ieder gaspedaal heeft een rem nodig. Hij kon niet zonder ma’s regie.
De chauffeur vormde een potentieel probleem. Ja, Dirigent liet zich graag rijden met die dikke nek van ‘m. Ik volgde hem een paar weken. Kostte reteveel tijd, maar geduld heb ik. Geduld en perfectie zijn boezemvrienden, perfectie en succes gaan hand in hand. Van ma geleerd. Telkens als ik ongeduldig was, sloeg ze me met de dirigeerstok. Die zwiepende baton was van opa geweest. Zo had zij het ook geleerd. Terecht. Kinderen hebben structuur nodig. Correcties horen daarbij. Na een paar keer plaste ik niet meer in mijn broek.

Focus, Hubertus. Focus. Falen is erger dan sterven. Geef afleidende gedachten geen ruimte.

Geduld wordt altijd beloond en ook in dit geval. Dirigent ging iedere veertien dagen bij een vrouw op bezoek. De chauffeur reed dan een paar blokken om. De vrouw was gekleed als een amazone. In vol ornaat. Een streng gezicht. Ze was zo’n figuur die hem billenkoek gaf met een rijzweepje. Ha! Een volwassen vent, nota bene! Hij was door zijn moeder natuurlijk niet gecorrigeerd. Daarom liet hij het zich hier welgevallen. Wat een watje.

Ma was nog niet weg, of pa liet zich inpakken door Lokvogel van de Kolmea Bank. Uitbreiding van de voorraad, financiering voor een overname hier en een overname daar. Snoepreisjes naar het buitenland. Ik waarschuwde hem nog, maar nee, meneer moest zonodig nieuw land veroveren. Toen kwam de crisis en was lokvogeltje natuurlijk nergens meer te bekennen. Contract is contract, zeiden de heren van Risicobeheer. Schuld is schuld.

Jarenlang hebben ze goud aan ons verdiend en zodra het even wat minder ging, stuurde Dirigent die twee, Bijl en Mes. Pa probeerde zich staande te houden op één been. Dat hij ma’s nalatenschap tot het uiterste verdedigde, daar bewonderde ik hem om.

Ik ben naar binnen geslopen en het mietje lag daar als een wijf verkleed. Echt, ik lieg het niet. Hij lag gebukt over de rand van een tafel, zijn armen en benen vastgebonden aan ringen die aan de poten waren vastgeschroefd en zijn rok opgestroopt. In zijn mond had hij een bal die met een rubber band om zijn hoofd op zijn plaats werd gehouden. Ze sloeg, die vrouw. Lang niet zo hard als ma altijd deed, maar toch.

Als ik thuis kwam met een onvoldoende, moest ik gebukt gaan staan en kreeg een dubbele portie waarbij ik op het ritme van de slagen “ik mag nooit meer fa-len” moest meezeggen. Ma zette altijd ‘Pathétique’ op. Vooral die delen die allegro gaan vervoerden haar. Het deed verdomd veel pijn, maar ik had de straf verdiend. Falen is erger dan sterven.

Focus, Hubertus. Focus. Je dwaalt af. Vertel wat je moet vertellen. Niets meer, niets minder.

Hij jammerde als een kleuter die in zijn broek heeft gepiest. Eigenlijk moest ik wel lachen. Meneer met zijn grote bek die hier tot een verschrompeld hoopje werd vernederd, de mislukkeling. Maar ik kwam met een missie. Dood moest hij. Ik zei tegen de vrouw dat ze kon gaan. Meneer had mij besteld. De bitch protesteerde, maar ze schikte zich vrij snel.

Ik verspilde geen tijd met prietpraat over wat de bank mijn vader had aangedaan, hoezeer ze het levenswerk van mijn ma hadden vernietigd zonder enig gevoel, zonder het verleden te wegen. Dat was tijdverspilling. Zijn antwoord zou gaan in de trant van risicobeperking en weet ik wat niet meer. Ik pakte mijn baton, die ik had aangescherpt voor wat ik ermee zou gaan doen, en drukte hem in zijn oog, gestaag. Ongelofelijk, wat kon die man snuiven. Hij bevuilde zichzelf, de viespeuk. Had hij dan niks van zijn moeder geleerd?

Dirigent der Dirigenten

“Tot zover begrijpen wij je,” zegt de vrouw tegenover me. Ik zwijg, Ze heeft kort, steil haar, net als ma. Wel de verkeerde kleur, helaas. De stalen tafel waaraan we zitten is met bouten aan de vloer vastgezet, evenals de vier aanwezige stoelen, twee aan iedere lange zijde. Op de vloer ligt eenvoudig, muisgrijs linoleum en de muren zijn wit gesausd. Gebroken wit, net als de radiatoren. TL-buizen dompelen de kamer in een zacht licht. De soberheid van de inrichting zou ma hebben aangestaan. Functioneel, zou ze hebben gezegd.

“We begrijpen je drijfveer. Niet dat wij je daden goedkeuren, maar we snappen dat je wraak wilde nemen om wat je vader is aangedaan.”

“Wat mijn má is aangedaan, bedoelt u. Zij heeft het bedrijf groot gemaakt. Zij. Zij! Niet mijn pa! Niet mijn pa! Zij!” De ketting die mijn handen verbindt ratelt door de twee ogen heen die aan de tafel zijn geschroefd.

“Oké, oké. Punt gemaakt. Rustig maar.” Ze heft haar hand en draait zich naar haar mannelijke collega, die tot dusver niets heeft gezegd. Dan kijkt ze me weer aan vanachter haar bril met het donkere, strenge montuur. “Wat wij niet begrijpen is waarom je daarna niet stopte. Je had je wraak, je genoegdoening zo je wilt. Waarom al die anderen die daarna kwamen? Hoeveel waren het er? Drieëndertig gevallen rekenen we aan jou toe.”

Door de getraliede ramen heen gluurt de grauwe dag naar binnen. Tellen kunnen ze niet. Vierendertig waren het er. Laat je niet inpakken, Berry. Op je qui-vive blijven. Al zijn ze nog zo begrijpend en vriendelijk, ze willen gewoon de details kennen die alleen jij weet. “Niet alleen Kolmea Bank heeft een Lokvogel, Bijl, Mes en Dirigent.”

De vrouw schuift haar bril bij de brug omhoog. “Moeten we hieruit de conclusie trekken dat je een hekel hebt aan alle banken, niet slechts aan Kolmea?”

“Iedere bank heeft zulke lieden.”

“Iedere bank?”

Alles maar één keer zeggen, Hubertus. Niets bevestigen. Niets herhalen. Ze nemen het toch op.

“Banken zorgen toch voor stabiliteit, Hubertus?” zegt de man.

Ik verstrak. Alleen ma noemde me Hubertus. “Berry. Ik heet Berry van Dam.”

De man trekt zijn wenkbrauwen licht op. “Oké. Banken zorgen toch voor noodzakelijk smering van de economie?”

Zijn gezicht verraadt niet hoe hij er zelf over denkt. “Het zijn schobbejakken met privileges van de Staat. Hufters zijn het, bemand door mensen zonder enige scrupules. Zonder enig oog voor het leed achter de neergang van een bedrijf.”

De oogbouten verhinderen dat ik mijn armen over elkaar kan slaan. Het is zinloos verder op hun vragen in te gaan. Ze snappen het niet. Ze begrijpen evenmin dat de Dirigent der Dirigenten het hoogtepunt moest vormen. Aïda’s Triomfmars van Verdi hoorde daarbij.

“Als je niets zegt, kunnen wij geen goede beoordeling maken en dat zal niet in je voordeel zijn, Van Dam,” zegt de man. “Wat ons vooral verbaast, ja bezighoudt, is waarom je geprobeerd hebt de president van De Nederlandsche Bank te vermoorden.”

Ik sta paf. Wat!? Wat zegt-ie? Geprobéérd? Hoezo geprobeerd? Het journaal maakte melding van de gasexplosie. Dat huis was compleet weggevaagd. Zij was thuis; dat heb ik gecheckt. Twee keer: check en dubbelcheck. Ik scan hun gezichten. Belazeren ze me? Willen ze me doen geloven dat ik heb gefaald? O, verdomme, ze slaan hun ogen niet neer. Zeg dat het niet waar is! Het kán eenvoudig niet waar zijn. Het mág niet waar zijn! O, mijn God, wat, wat is er misgegaan? Ik wil dat gedreun van ‘Pathétique’ uit mijn kop maar die vervloekte oogbouten verhinderen dat ik die klanken met mijn palmen uit mijn hoofd kan drukken.

“Ten tijde van de explosie haalde ze toevallig net een fles wijn uit de kelder.”

Ma zei altijd: als je iets doet, doe het dan perfect. Geduld en precieze voorbereiding geven geen marge voor fouten. Dat, dat heb ik gedaan, ma! Echt waar!

Ik huiver. De energie vloeit uit mijn lijf. Ik ben opeens heel erg moe. Mijn broek wordt warm en als ik kijk, zie ik dat hij donker kleurt. Niet boos worden, ma. Alstublieft, niet boos worden.

Leonardo Pisano schrijft verhalen met een vrijheidsthema. In maart 2016 verschijnt zijn  Achter de nevel (ISBN  978-94-91777-44-8), een verhaal over een wereldomspannende samenzwering, met een libertariër als hoofdpersoon. Voor verdere informatie: http://leonardopisano.nl/achter-de-nevel/

3 REACTIES

  1. Interessant verhaal. Ik ben benieuwd of reageerders de lessen eruit zullen distilleren 😉

Comments are closed.