De weg van wijheid naar vrijheid is enkele decennia geleden geschreven door Henry Sturman. Het is nog steeds actueel. Vandaar deze herpublicatie. Vandaag het negende artikel, over eigendomsverdeling op libertarische grondslag. Een erg lang artikel.

Het libertarisme is te omschrijven als de verdediging van het eigendomsrecht. Elke vrijheidsaantasting is immers een aantasting van iemands zelfbeschikkingsrecht over zijn of haar leven, lichaam of middelen. Het libertarisme stelt derhalve dat ieder individu de eigenaar is van zijn of haar eigen leven, lichaam en middelen en dat niemand deze eigendomsrechten mag aantasten. Zo’n eigendomsaantasting zou namelijk een aantasting zijn van het zelfbeschikkingsrecht en daarmee een vrijheidsaantasting.

Het is daarom van essentieel belang voor het libertarisme, om aan te geven wanneer iets je eigendom wordt. Eén van de basisgedachten van het libertarisme is de verwerping van slavernij. Slavernij betekent dat de ene persoon de ander voor zich laat werken, terwijl die ander daar niet voor gekozen heeft. Een dief is dus een slavendrijver, want een dief laat een ander werken en pakt dan het resultaat daarvan af, om het voor zichzelf te gebruiken; een dief laat een ander voor zich werken, terwijl die ander daar niet voor gekozen heeft.

Volgens het libertarisme kun je dus eigendom verwerven door productie. Als ik bijvoorbeeld een horloge produceer uit onderdelen waar ik eerlijk aangekomen ben, dan ben ik eigenaar van dat horloge. Als ik echter een horloge produceer uit gestolen onderdelen, dan zijn al de onderdelen waaruit het horloge bestaat nog steeds van anderen en niet van mezelf. In dat geval is het horloge niet van mij, omdat het is opgebouwd uit eigendommen van een ander.

Omdat ik volgens het libertarisme eigenaar ben van mijn eigen leven, kan ik ook mijn arbeid (een deel van mijn leven in de vorm van tijd, energie en creativiteit) verhuren aan iemand anders, aan een zogenaamde werkgever. Doordat de werkgever mijn arbeid huurt wordt ik eigenaar van een bepaald, afgesproken eigendom van de werkgever – meestal een geldbedrag.

Sommige mensen denken dat werkgevers slavendrijvers zijn, doordat ze anderen voor zich laten werken, terwijl die anderen daar niet voor zouden hebben gekozen. Ze beschouwen de keuze voor werk als alternatief voor de keuze voor verhongering niet als een echte keuze. Het is echter wel degelijk een echte keuze, namelijk een keuze voor het leven.

Deze keuze impliceert helemaal niet dat je plotseling recht hebt op een bepaald salaris, waar je werkgever niet zelf voor gekozen heeft, want juist dat zou slavernij zijn. Als een werkgever op een eerlijke manier aan een productiemiddel is gekomen, dan mag hij of zij op vrijwillige basis de arbeid huren van anderen tegen een bepaalde vrijwillig overeen te komen hoeveelheid geld. De werkgever en de werknemer kunnen hierbij afspreken dat de gemaakte producten voor de werkgever zijn.

Bij verkoop van de producten ruilen de klanten vrijwillig geld tegen die producten. Het verschil tussen de opbrengst uit deze verkopen en de betaalde salarissen en andere productiekosten is de winst. Deze is dan van de werkgever (of de werkgevers als er verschillende aandeelhouders zijn) die er immers eerlijk is aangekomen, zonder zich schuldig te maken aan diefstal of slavernij. Winst is een flexibel salaris voor een werkgever als beloning voor de coordinatie van productieactiviteiten en/of voor het nemen van risico’s met zijn of haar geld, die deze productieactiviteiten mogelijk maken.

Ook als een werknemer een werkgever in dienst neemt is dat geen slavernij. De werknemer maakt dan welliswaar gebruik van het salarisgeld van de werkgever, maar de werkgever geeft dat geld vrijwillig in ruil voor een hoeveelheid arbeid waar die werkgever akkoord mee gaat.

Een alternatief op deze methode van eigendomsverwerving is de theorie van Max Stirner. Volgens Stirner ben je eigenaar van alles wat je kan verdedigen met je eigen macht. Deze theorie is echter niets anders dan het recht van de sterkste. Een koning met een groot leger is dan de eigenaar van heel veel, en iemand die niet kan of wil vechten bezit niets. Deze eigendomstheorie sluit ook niet aan bij het eigendomsrecht, want het is juist gebaseerd op aantastingen hiervan. Stirner hoopte wel dat er een zeker machtsevenwicht zou ontstaan, doordat mensen zich kunnen verenigen als ze alléén te zwak zijn.

Dit lijkt me een goede analyse van wat er in de praktijk zal gebeuren en gebeurt. Maar het beantwoordt niet de vraag of het goed of slecht wordt gevonden, als de één de ander besteelt. Het beantwoordt slechts de vraag of de sterkste wint, en het antwoord is “ja”.

Een ander alternatief voor de door libertariers voorgestelde verdeling naar productieprestatie, is verdeling naar behoefte. Bij verdeling naar behoefte heeft ieder individu het eigendomsrecht op datgene waar hij of zij behoefte aan heeft.

Aan deze methode tot eigendomsverwerving door het nodig te hebben, kleven een aantal nadelen. In de eerste plaats ontstáát iets niet door het nodig te hebben. Bij verdeling naar behoefte rekent men er dus automatisch op dat de één produceert wat de ander nodig heeft. Het lijkt mij zeer ongeloofwaardig dat er genoeg mensen zo filantropisch zijn dat ze gratis in de behoeften van anderen willen voorzien. Daarom zal verdeling naar behoefte moeten worden afgedwongen, en dan is het nog maar de vraag of dat wel werkt.

In de tweede plaats is behoefte een zeer rekbaar begrip. Ik kan bijvoorbeeld wel zeggen dat ik behoefte heb aan de arm van mijn buurman, of aan al het geld van mijn buurvrouw. Wie bepaalt bij verdeling naar behoefte hoe deze verdeling wordt ingevuld ? Er is maar één antwoord mogelijk: dat bepaalt de sterkste.

Verdeling naar behoefte leidt dus in de praktijk tot het recht van de sterkste. Verdeling naar productieprestatie is dan veel eerlijker, want het keurt het af dat de sterksten alle anderen als slaaf gaan gebruiken. Daarom zegt het libertarisme dat ieder individu eigenaar is van datgene wat hij of zij heeft geproduceerd uit eerlijk verkregen onderdelen.

Een derde alternatief voor het libertarisme is het ontkennen van individueel eigendom. Men kan beweren dat de aarde eigendom is van iedereen, en dat het onrechtvaardig is als sommige mensen zich zomaar delen van de aarde gaan toeeigenen. Aangezien alle eigendom uit de aarde voortkomt, is dus alles opgebouwd uit grondstoffen die van iedereen zijn. Net zoals het horloge waar ik eerder over schreef, is iets dat je produceert uit gestolen goederen nog steeds eigendom van de oorspronkelijke eigenaren, in dit geval van iedereen. Het toeeigenen van eigendom dat van iedereen is, is dan diefstal van het collectief.

Uiteraard is dan ook ieders lichaam van iedereen, want ook lichamen zijn opgebouwd uit stoffen uit de aarde. Dan zou iedereen gezamelijk eigenaar zijn van iedereen. Men zou dan bijvoorbeeld alleen maar adem mogen halen als alle andere mensen op aarde daar geen bezwaar tegen hebben. Op deze wijze zou een gek dus de hele menselijke beschaving kunnen beeindigen door bezwaar te hebben tegen ademhaling.

Volgens deze theorie zou het libertarisme niets meer betekenen. Het kan derhalve logischerwijs niet anders zijn dan dat het libertarisme ontkent dat de aarde van iedereen is. En waarom zou een libertarier ook denken dat de aarde van iedereen is ? We hebben de aarde immers niet zelf geproduceerd.

Sommige mensen die in God geloven denken wellicht dat God de aarde aan alle mensen samen heeft gegeven, maar het is net zo goed mogelijk om te veronderstellen dat God de mensen op een aarde heeft gezet die helemaal van niemand is, met de boodschap dat mensen zich dingen kunnen toeeigenen die van niemand zijn door middel van productie of verdeling.

Dit laatste is ook de enige libertarische methode van eigendomsverwerving. Alles wat je bij je productie gebruikt en wat nog van niemand anders was, of waar je eerlijk bent aangekomen, dat is voortaan jouw eigendom. “Eerlijk ergens aankomen” betekent dan dat je het krijgt van een ander, als een cadeautje of door een vrijwillige ruil, of dat je jezelf iets toeeigent wat nog van niemand anders was door middel van productie of verdeling.

Zo heeft ook iedereen recht op zijn of haar lichaam. Je krijgt vanaf de conceptie voedsel (bloed) van je moeder, waaruit je je eigen lichaam hebt geproduceerd. Je eigen lichaam is zo je eigendom.

Het kan ook zijn dat je moeder er niet voor heeft gekozen om je voedsel te geven. Dat is alleen zo als ze is verkracht, want anders heeft ze jouw aanwezigheid en daarmee het feit dat je haar bloed krijgt zelf veroorzaakt en is ze zelf verantwoordelijk. Als ze er niet zelf voor heeft gekozen, dan mag ze de schade alleen verhalen op de verkrachter en niet op haar kind. Maar het kind is dan opgebouwd uit gestolen goederen en is dan niet eigenaar van zijn of haar eigen lichaam, totdat iemand het kind voor het eerst vrijwillig voedsel geeft. Op het moment dat de moeder het kind voor het eerst borstvoeding geeft, is een onbepaald deel van het lichaam van het kind het eigendom van het kind geworden – geproduceerd uit vrijwillig gegeven borstvoeding. Het is dan niet meer te bepalen welk gedeelte van het kind bestaat uit gestolen goederen, zodat de moeder deze gestolen goederen niet meer kan claimen. Op dat moment is het kind eigenaar van zijn of haar eigen lichaam.

Op dezelfde wijze kan een boer een stukje land bezaaien met gras en er koeien op zetten. Als dit stukje land van niemand anders was, dan is het eigendom van de boer. De boer hoeft het eigendom niet eeuwig te gebruiken om het te behouden als eigendom. Als iets immers werkelijk je eigendom is, dan mag je ook beslissen er niets mee te doen. Bewerking is alleen maar één van de methoden om eigendom te verwérven.

Als de boer dood gaat en z’n land niet cadeau doet aan z’n zoon of dochter of iemand anders, dan is het weer van niemand. Als een boer een stuk grond tot z’n eigendom maakt, dan is de grond onder het stuk land, dat de boer niet gebruikt voor het gras en de koeien, nog steeds van niemand. Ook de ruimte boven het gras, dat de boer niet gebruikt is van niemand.

De boer bezit echter wel de mogelijkheid van het opvangen van zon en regen op zijn gras, zodat een ander geen stalen plaat over het terrein van de boer mag ophangen. Ook bezit de boer de faciliteit om grondwater te gebruiken, zodat de buurman niet al het water (tijdelijk) mag wegpompen als het gras daaronder lijdt. De boer bezit tevens de mogelijkheid om af en aan te rijden /lopen van zijn terrein. Als iemand dus het gebied om het terrein van de boer opkoopt, dan mag deze persoon de boer geen doorgang weigeren, omdat de boer al eigenaar is van een vrije toegang tot en uitrit van zijn eigen gebied. Als twee boeren hetzelfde stukje gras willen bezaaien, dan kunnen ze het in tweeen delen.

Er is ook een theorie die zegt dat degene die dan het snelste zaait het meeste heeft. Dat is echter nogal willekeurig, omdat het impliceert dat je alleen maar eigendom verkrijgt door productie. Echter, het woord productie is nogal rekbaar. Je kan bijvoorbeeld ook produceren door in een bepaald gebied van één boom een paar blaadjes af te knippen, zodat mensen ervan kunnen genieten als ze er doorheen wandelen. Als één van de boeren op deze wijze wil produceren i.p.v. door te zaaien, dan is het niet meer bepaalbaar wie welk gedeelte van het terrein bezit. Het gebied in tweeen verdelen is dan de meest logische oplossing.

Een boer kan zo ook z’n terrein rustig laten braak liggen. Ook als meerdere mensen allemaal een claim willen doen op een bepaald gebied kan deze methode werken. Ze kunnen het land dan van te voren op papier verdelen. Sommigen kunnen kunnen hun stukje land dan ook natuurgebied laten.

Ook de indianen in Amerika hadden eigendom op de grond toen de blanken daar aan kwamen. De indianen produceerden vlees door te jagen, en waren daarmee als stam gezamenlijk eigenaar van hun jachtgebied. Daarbuiten hadden blanken zich ongestoord mogen vestigen.

Ook kan men op deze manier eigenaar worden van een grondstoffenmijn. Degenen die een claim willen doen op een grondstoffenbron, krijgen allen aandelen in de bron die ze kunnen verhandelen. Iemand kan dan genoeg aandelen kopen om een mijn te maken om te kunnen delven, en de grondstoffen verkopen. Het is dan ook mogelijk dat er verschillende mensen gaan delven. Hun aandelen geven dan aan hoeveel of op welke plaats ze mogen delven.

Sommige mensen denken dat dit ertoe kan leiden dat er een grondstoffenmonopolie of -kartel kan ontstaan dat de prijzen zeer hoog gaat opvoeren. Dit zou echter helemaal geen ramp zijn. De prijs zal immers zelden zo hoog worden dat niemand deze grondstof meer koopt. Ook zal er altijd concurrentie zijn met surrogaten. Zo moet olie, als grondstof voor benzine om auto’s te laten rijden, concurreren met aardgas, waterstofgas, alcohol, zonneenergie en alle andere energiebronnen die een enorme accu kunnen laden.

Grondstoffenmonopolies of -kartels zijn trouwens moeilijk te vormen. Zie het artikel “concurrentie en monopolies”. Het eigendomsrecht is ook toepasbaar op abstractere zaken. Zo kan men bijvoorbeeld een school vis bezitten in een enorm leefnet in de zee, of een gedeelte van een bos voor houtproductie. De eigenaar zal dan zorgen dat z’n eigendom niet geheel leeggevist of leeggekapt wordt, want dan heeft hij of zij volgend jaar niets meer om van te leven. Ook is het mogelijk om radio- en T.V.frequenties te bezitten. Iedereen kan dan naar eigen keus uitzenden, en de enige regel is dan dat je niet mag uitzenden op andermans frequentie.

2 REACTIES

  1. Vanuit de wiskunde heb ik geleerd te vereenvoudigen. Eigendom is een onderwerp dat door allerlei theoriën complex lijkt, maar waarschijnljik een stuk eenvoudiger benaderd kan worden. Hier een poging:

    Eigendomsrecht is eigenlijk alleen relevant als iets beschermd of verdedigd moet worden tegen kwaadwillenden of schadelijke invloeden anderszins.

    Wie iets creëert, produceert of ergens de prijs voor betaalt wordt daarmee feitelijk de beheerder. Het goed reflecteert een beeld dat iemand in zijn hoofd had en gematerialiseerd is of anderszin een gedaante heeft aangenomen. Omdat het een resultaat is van zijn geest en inspanningen, is er niemand die het zo goed kan beheren (in stand houden, uitbouwen) als hij.

    Dit principe geldt ook voor een groep mensen die gezamenljik iets creëert, produceert of aanschaft.

    Kort geleden hoorde ik via de autoradio een term – als ik het me goed herinner van de Rabobank – “aandeelhouders in elkaar”. Wanneer mensen op een bepaalde manier met elkaar omgaan, is er het wederzijdse belang dat het goed gaat met de ander. Eigendomsrecht is in die context niet relevant, omdat de stelling “ik ben eigenaar” alleen bij conflicten wordt gebruikt.

    Stel er is een groep van 10 mensen die allen een woning en een auto hebben. Deze groep besluit de ‘stoelendans’ te doen met woningen en auto’s. Degenen die een woning of auto hebben gebouwd of aangeschaft zijn de hoofdbeheerders. De anderen gebruiken de faciliteit af en toe, volgen de aanwijzingen van de hoofdbeheerder en helpen de hoofdbeheerder met het beheer (netjes ermee omgaan, klein onderhoud of kleine reparaties uitvoeren).
    Deze stoelendans levert de betrokkenen meer ademruimte, bewegingsvrijheid en faciliteiten op dan ze individueel hadden kunnen bewerkstelligen.

    Aan het einde van het liedje gaat het er eigenlijk alleen maar om hoe mensen met elkaar omgaan. Dwingend en eisend of in harmonie. Met als bij muziekinstrumenten klinkt harmonie en stuk beter dan Discordia.

  2. “Het is MIJN leven” (eigendomsrecht) krijgt een heel specifieke smaak in de context van “aandeelhouders in elkaar”.

    Denk aan hoe een man en vrouw met elkaar omgaan in de context van het verbond wat zij gesloten hebben (trouwbelofte / huwelijk). Wanneer zij in elkaar investeren en voor elkaar zorgen zodat de ander opbloeit krijg je iets heel moois.

    Het in principe in elkaar investeren en voor elkaar zorgen kan ook in andere verbanden plaatsvinden, zoals het voorbeeld van de stoelendans met woningen en auto’s.

Comments are closed.