In het artikel van Dr. Gary North wordt J:M. Keynes vakkundig en compleet ontmaskerd als de grote idioot die hij in wezen was. Deze Fabian-socialist heeft nooit wat van de vrije markt of de economie begrepen.keynes-de-idioot

Hij had een bachelorsgraad in wiskunde, maar niet in financiën of economie. De reden waarom hij goed ´lag´ bij de machthebbers is omdat hij precies uitlegde waarom zij nodig waren om het volk te mennen via allerlei pseudo-economische hocus pocus. We zien dit opnieuw terug vandaag de dag waarbij hocus pocus officieel economisch beleid is geworden bij de ECB, Federal Reserve, Bank of Japan, Bank of England en eigenlijk bijna alle centrale banken in de wereld.

Kapitaalvernietiging

De vele economische faculteiten die nog steeds het Keynesianisme en Neo-Keynesianisme doceren zijn in feite bezig met de economische vernietiging van de wereldeconomie.

Zowel het ZIRP (Zero Interest Rate Policy) als het NIRP (Negative Interest Rate Policy) beleid zijn feitelijk instrumenten voor de volledige kapitaalvernietiging binnen een economie.

Normaal ontvangt men rente voor het spaargeld dat men inzet voor de productie. Uit deze productie vloeit rendement wat dus deels terugvloeit naar de spaarder via een positieve rente. Als deze rente afwezig is of dat men zelfs moet bijbetalen, dan ontvangt de spaarder een negatief rendement op zijn vermogen, wat dus de instorting van de kapitaalbasis versnelt, de spaarder teert natuurlijk in op zijn vermogen. Het is derhalve een snellere opsoupering van het basiskapitaal door middel van een geforceerde consumptie, in dit geval door de centrale bank i.c. de overheid. De Oostenrijkse econoom Ludwig von Mises legde dit uit als Zwangswirtschaft en is van socialistische origine. De uitkomst van elke ´dwangeconomie´ is immer economische instorting en totale armoede, ergo eveneens het geval met het westerse socialisme en corporatisme in de VS en de EU.

Frauduleuze statistieken

In de VS is dit al lang zichtbaar met betrekking tot de banencreatie. Er verdwijnen full time banen in de industrie en landbouw en daarvoor in de plaats komen part time banen bij supermarkten als Walmart en hamburgerketens zoals McDonalds. Deze laatste zijn van een minimaal niveau en betalen heel slecht. Deze situatie is al een behoorlijke tijd aan de gang. Verder is bijna 40% van alle mensen in de werkzame leeftijd tussen de 18 en 65 niet aan het werk. Dat heeft te maken met de frauduleuze statistieken die de Bureau of Labor Statistics erop nahoudt. Als je meer dan 6 maanden werkloos bent dan word je automatisch van de werkloosheidsregisters afgehaald. Je bent dan nog steeds werkloos, maar je telt niet meer mee in de statistieken. Hieronder de participatiegraad van de Amerikanen, die tot een dieptepunt is gedaald.

 

arbeidsparticipatie-vs

 

Belachelijk dus.

Dat is ook de reden waarom men zo ageert tegen de illegale immigratie vanuit Mexico en andere landen. Deze mensen zijn laag opgeleid en veroorzaken dus een verdere afkalving van de werkgelegenheid aan de onderkant van de markt. Daardoor is er een enorme werkloosheid onder zwarten en andere minderheidsgroepen, waardoor de kans om zich te beteren nog verder weg is.

In de statistieken van Shadow Stats hieronder is duidelijk te zien dat de eigenlijke werkloosheid veel hoger is dan de fictieve ´5%´ verteld door het Obamaregime.

 

werkloosheidscijfers-vs

 

 

 

 

 

 

 

In de EU is het nog erger gesteld met de werkloosheid. De economie zit al jaren in het slop. Sinds het begin van de depressie in 2008 is het steeds slechter gegaan met de economieën van met name de hogeschuldlanden, werkloosheidscijfers zijn ver in de dubbele cijfers. Nagenoeg alle commerciële banken in de EU zijn technisch failliet. Hun kapitaalbuffers van 3% volgens de nieuwe regels zijn niet in de vorm van spaarsaldi, maar gewoon eigen vermogen dat ook al uitgeleend is. Bij een faillissement van 3% van hun klanten zijn de banken ook bankroet.

Deze mogelijkheid dient zich zeker aan in de komenden jaren, zoniet maanden. Bij een instorting van een Deutsche Bank (DB) bijvoorbeeld is de kans reëel dat de hele financiële sector in de EU, maar ook daarbuiten wordt meegenomen. De derivatenportefeuille van de DB is gigantisch en bij een derivatencrisis is deze bank geschiedenis. Geen wonder dat de DB onlangs geen goud wilde uitleveren, want dit is hun laatste mogelijkheid om enigszins liquide te zijn. Solvabel zijn ze al lang niet meer namelijk, omdat de uitgezette schulden aan de hogeschuldlanden in Zuid-Europa bij een volgende inzinking of kredietcrisis deze nooit meer terug te halen zijn. De idiote ´bankenunie´ is in feite dan een EU lemmingoperatie geweest, waarbij alle banken gelijktijdig worden weggevaagd als bovenstaand scenario zich ongetwijfeld gaat ontwikkelen.

Technologie en reëel kapitaal

Hierbij een interessant en zeer nuttig artikel van Dr. Frank Shostak van het Mises Instituut over kapitaalopbouw en de relatie tot economische groei.

Wat in ons huidige economische onderwijs ontbreekt is het besef dat we kapitaal moeten opbouwen op basis van spaargeld. Dit spaargeld kan alleen worden opgebouwd dankzij extra productie, efficiëntie, kostenbesparingen, etc. Het extra kapitaal kan worden bespaard en gebruikt om technologie te verbeteren of in te voeren in huidige productieprocessen. Met andere woorden productie is de werkelijke motor van de economie, consumptie is het gevolg van de inkomstenverhogingen die het gevolg zijn van goedkopere producten dankzij deze extra productiecapaciteit. Ergo, consumptie is niet de motor van de economie, zoals Keynesianen* en Neo-Keynesianen* beweren, maar juist een consequentie van de welvaartschepping van extra productie. Dat laatste bewerkstelligd door meer vrijgekomen spaargeld.

Vliegwieleconomie

Alle andere door huidige economen voorgestelde methoden mislukken steevast, omdat voorbij wordt gegaan aan de essentie van wat spaargeld betekent in een economie. Shostak geeft als voorbeeld dat met het monetaire beleid van de centrale banken (kredietschepping, QE, lagere rentestanden) het spaargeld verder wordt uitgedund. Enerzijds dankzij de verwatering van het bestaande papiergeld, dankzij de gelddrukpersen (monetaire inflatie), anderzijds via de kunstmatige verlaging van de rente, waardoor de beloning voor het sparen teniet wordt gedaan en het spaargeld tengevolge daarvan wordt opgesoupeerd voor consumptieve doeleinden, zoals bijvoorbeeld luxe artikelen, tweede huizen, meubels, verbouwingen etc.

In feite fungeert spaargeld als een vliegwiel voor de economie en dat is dat bij uitbreiding van productie meer kapitaal wordt gegenereerd, wat dan weer kan worden gebruikt voor technologische vernieuwing, verdere uitbreiding van productieve middelen, een diversiteit van producten kan worden gelanceerd etc.

Bij toenemende afwezigheid van spaargeld, of een inkrimping van de reële kapitaalvoorraad, zoals de verwatering via de gelddukpersen, het scheppen van extra krediet uit het niets (waar geen extra spaargeld tegenover staat) of nu zelfs negatieve rentestanden leidt dat tot een reële neergang van de economie en dus een langzame en gestage verarming van de burgerij.

Zo ziet men maar hoe ons huidige westerse economische beleid leidt tot kapitaalvernietiging en enorme welvaartsvermindering. Bij afwezigheid van een vorm van goudstandaard of goudwisselstandaard zal deze kapitaalvernietiging en welvaartsafkalving gestaag doorgaan totdat er een schuldverzadigingspunt is bereikt. Dit punt is in 2015 aangekomen, omdat het reële kapitaal niet meer toereikend is om zelfs de financiering van de schulden te kunnen voldoen. De productie zakt ineen dankzij de schaarste aan reëel onderliggend kapitaal.

Zoals op onderstaande grafiek duidelijk te zien is heeft het Neo-Keynesiaanse beleid van de afgelopen 40 jaar gezorgd voor een toenemende inkomensongelijkheid, wat sinds 2008 is geaccelereerd met dank aan de QE programma´s van de Fed en sinds kort van de ECB. Let goed op dat 1971 het jaar was dat goud uit het systeem werd gehaald met de teloorgang van Bretton Woods.

inkomsten-vs-1913-2013

Nobelprijswinnaar Paul Krugman en zijn Keynesiaanse kornuiten hebben dit nog steeds niet begrepen en lijden aan een mentaal blok.

* Het verschil tussen Keynesianen en Neo-Keynesianen is als volgt:

– Een Keynesiaan gelooft in schuld te maken in slechte tijden en deze af te lossen in goede tijden.

– Een Neo-Keynesiaan gelooft in schuld te maken in slechte tijden en nog meer schuld in goede tijden en deze nooit af te lossen.

Geld en krediet

Hoewel sommige analisten heel goed zijn met betrekking tot de. economie en de potentiële waarde van goud daarin zien zij helaas vaak niet het verschil tussen krediet (M3) en geld (M0). Er is heel veel schuld opgebouwd in de afgelopen 45 jaar en die schuld is in feite fictief en vertegenwoordigt geen geld (het krediet is papier uit het niets gecreërd en uitgegeven door de banken). Daarom is het ook een enorme bubbel geworden, want mensen dachten dat het fysiek geld of kapitaal was. Echter, integendeel was het eigenlijk een opgebouwd fictief vermogen. Dat geldt niet alleen voor aandelen en vastgoed, maar ditto voor obligaties en pensioenen.

Wat er gebeurt bij een instorting van de markten (70-80%) na elke enorme bubbel is dat het krediet opdroogt, de schuld grotendeels verdwijnt en wat men overhoudt de basis is en dat is niet alleen het contante geld wat werd gedrukt in de afgelopen 45 jaar sinds de afschaffing van de Bretton Woods goudwisselstandaard maar tevens al het contante geld dat sinds 1945 werd gedrukt. Met de aanwezigheid van dit papiergeld wordt uiteindelijk het goud (en zilver) mee verdisconteerd. Dus niet met de opgebouwde schuld (krediet) sinds 1945. Dat krediet (schuld) verdwijnt namelijk weer in het niets. Enerzijds dankzij faillissement of anderzijds dankzij (grotendeelse) schuldkwijtschelding. Een land als Griekenland zal de lakmoesproef worden voor de rest van de financiële wereld.

 

De opsplitsing is als volgt:

M0 = Contant geld (vroeger was het goud en zilver, nu is het een papieren vordering op de centrale bank).

M1 = Contant geld, deposito en kortlopende (tot 1 maand) schulden.

M2 = Contant geld, deposito, kortlopende en middenlange (tot 1 jaar) schulden. 

M3 = Contant geld, deposito, kort-, midenlang en langlopende schulden, verzekeringen, annuiteiten, pensioenen etc. M.a.w. al het geld en krediet in omloop.

Wanneer de brede geldhoeveelheid (M3) in gaat storten kan het nooit worden vervangen door goud of zilver, want het was en bleef fictief kapitaal. Alles wat fysiek in omloop is: contant geld bijvoorbeeld kan wel worden vervangen door goud en zilver.

Wat er gebeurt in een deflatie is dat krediet grotendeels verdwijnt en de fictieve waarde van aandelen, vastgoed, obligaties van hogeschuldlanden etc. ook verdwijnt. Omdat de meeste mensen in vastgoed zitten (iedereen moet wonen namelijk) zal dit de grootste impact veroorzaken in een crisis. Niet de aandelenbeurzen, want dat is een sideshow en vaak de opmaat naar een instorting van de rest van de economie. Aandelenmarkten zijn altijd de eerste bubbels die barsten, later volgen de andere zeepbellen.

Praatpoppen

Wat hier wordt beschreven is pure Oostenrijkse School voor Economie van Carl Menger en Antal Fekete (N.B. de grootste nog levende econoom). Deze economen hebben altijd begrepen wat inflatie en deflatie is en hoe dat wordt veroorzaakt en wat de gevolgen daarvan zijn. Een behoorlijk deel van de economen heeft wel wat begrepen, maar zeker niet alles. De Keynesianen en Neo-Keynesianen, alsmede de monetaristen daarentegen zullen er nooit iets van begrijpen, omdat zij niet weten wat zelfliquiderend krediet (productief krediet) is en de reële waarde van goud (en zilver) in ons financieel-economisch stelsel. Zij negeren de olifant in de kamer namelijk en dat is de onderliggende waardeontwikkeling binnen de economie.

De praatpoppen in onze media zitten echter nog lager op de ontwikkelingsschaal en apen alleen maar de bovenstaande economen na, zonder dat ze kritisch kunnen nadenken. Met andere woorden de slechtzienden leiden de blinden.

Het is even proberen de gedachten er omheen te krijgen, maar het is als volgt en puur in de traditie van de Oostenrijkse School.

Schuldliquidering

Niet alle schuld verdwijnt, doch wel een groot deel daarvan. Er blijft ongeveer zo´n 30-40% over en dat gaat van niet-zelfliquiderend krediet (aflossingsvrij en/of continu opbouwend krediet) naar zelfliquiderend krediet (verplichte aflossing over een bepaalde tijd). Noch het eerste (niet-zelfliquiderend krediet) en noch het laatste (zelfliquiderend krediet) wordt meegenomen met de goud- (en zilver)prijs. Want het is feitelijk een vordering op toekomstige productie (over een tijdsbestek van 10-30 jaar) en dus niet direct op goud of zilver.

Let wel er zijn drie manieren om je schuld te liquideren (deze zijn productie, grondstoffen en monetaire metalen). Krediet wordt altijd afgelost (geliquideerd) met toekomstige productie en grondstoffendelving. Papiergeld, eventueel aangevuld met deposito mits deze laatste niet in beslag zijn genomen of omgezet in krediet, wordt dan geconverteerd naar goud en zilver. Papiergeld is en blijft een directe vordering op goud en zilver aangehouden door de centrale bank (zij geven het papiergeld namelijk). De prijs van het goud en zilver wordt bepaald door de aanwezigheid van deze metalen in de economie en al het papiergeld (en deposito) in omloop.

Zoals gezegd verdwijnt een groot deel van de schuld (kredietopdroging) en daarmee de waarde van het onderpand (aandelen, obligaties, kunst, antiek en vastgoed). In feite gaat de economie terug naar de reële waarde en dat is veel minder dan de huidige nominale waarde. Deze nominale waarde is tot stand gekomen dankzij fiatgeld en de kredieteconomie. De papieren waarde is zo enorm gestegen sinds 1971 (afschaffing goudwisselstandaard) dat deze een bubbel heeft vertoond, terwijl de reële waarde hetzelfde bleef of achteruit ging zoals Shostak reeds aangaf met het spaarquotum.

Gaan we terug in de tijd, dan zie je dat de jaren 30 hetzelfde fenomeen vertoonde. De economie zakte in naar de reële waarde. In de jaren 40 werd er oorlog gevoerd door o.a. de VS, zodat de mensen hun geld nergens aan konden besteden. De Amerikanen spaarden al hun geld via het kopen van oorlogsobligaties (warbonds) of het vastzetten voor een bepaalde rente op de bank. Dit spaarquotum steeg van bijna 0% in 1929 tot bijna 30% in 1945. Dankzij dit hoge spaarquotum kwam er enorm veel investeringskapitaal vrij op de markt voor civiele productie. Fabrieken die voorheen tanks, vliegtuigen en ander oorlogsmaterieel vervaardigden hevelden hun productie over naar auto´s, radio´s, keukenapparatuur etc.

Dit was de basis van de enorme vooruitgang die we in het westen sinds 1945 hebben geboekt. Dat is niet veroorzaakt door Keynesiaanse stimulering, maar juist vanwege het hoge spaarquotum van de Amerikanen waardoor investeringen in productiemiddelen en nieuwe technologieën konden plaatsvinden.

Daar heeft de rest van het westen heel goed van kunnen profiteren.

Verschillen productieve en consumptieve economie

Om de verschillen in gedachtegoed tussen de Keynesiaanse en Oostenrijkse School te kunnen aangeven kunnen we daarom deze opsomming gebruiken,

De Oostenrijkse school is een economische richting die de zogenoemde ´bezitseconomie´ aanhangt en ziet dat bezit de basis vormt van welvaart en reële economische groei.

We kunnen dit zien dankzij dit plaatje:

  1. 1. Spaargeld is de basis van investeringskapitaal
  2. 2. Investeringskapitaal is de basis van productiemiddelen en technologieontwikkeling
  3. 3. Productiemiddelen en technologie vormen de fundering van verhoogde productie en efficiëntie
  4. 4. Verhoogde productie en efficiëntie vormen de basis van goedkopere producten
  5. 5. Goedkopere producten leiden tot een verhoogde consumptie en welvaart.

Conclusie: De motor van de economie is productie

De (Neo-)Keynesiaanse en monetaristische school moedigt de zogenoemde ´schuldeconomie´ aan via het verlenen van krediet, ergo schuldopbouw om consumptie aan te moedigen zodat daarmee de productie kan worden gestimuleerd.

We kunnen dit zien aan het volgende plaatje:

  1. 1. Krediet wordt verleend aan consumenten
  2. 2. Consumenten besteden het krediet aan consumptieartikelen
  3. 3. De vraag naar consumptieartikelen zorgt voor een verhoogde productie
  4. 4. De verhoogde productie zorgt voor een uitbreiding van de productiemiddelen.
  5. 5. Meer productiemiddelen zorgen voor een verhoogd aanbod.

Conclusie: Consumptie is de motor van de economie.

Het probleem met dit laatste plaatje schuilt in het krediet en de opbouw van een permanente schuld. Deze kan alleen maar worden vergroot, omdat de stimulering na het wegvallen van het krediet tot stilstand komt en de extra productie wordt gestaakt. Dus is het noodzakelijk om een voortdurende stimulering tot stand te brengen in een economie via een steeds grotere opbouw van schuld en natuurlijk de daarmee gepaarde rente, die ook steeds hoger wordt.

Dit is gelijktijdig een groot probleem voor de toekomst, want met de opbouw van een steeds grotere schuld heeft men gelijktijdig een verminderde opbrengst per eenheid schuld in de toekomst. Dit heet schuldverzadiging en is uiteindelijk de doodsteek voor de schuldeconomie. Een steeds lagere kunstmatige rente en meer krediet zorgt op termijn voor enorme abnormaliteiten en een onhoudbare situatie binnen de economie.

Om een eigentijds voorbeeld te geven, wanneer je een huis koopt voor €100.000 en je verdient €36.000 (modaal inkomen). Dan is het gemakkelijk om zelfs 10% rente te betalen met een aflossing van €3333 per jaar en kom je op €13.333 financiering per jaar over 30 jaar. Dat is dan iets meer dan 1/3 van het inkomen en dalende omdat de schuld afneemt.

Maar stel dat de prijs van een huis steeds verder oploopt dankzij de enorme kredietopbouw over een aantal jaren, dan is het niet ondenkbaar dat de prijs van zo´n huis bijvoorbeeld op kan lopen tot € 1 miljoen. Als de rente daalt van 10% naar 1% dan kan men met een huidig modaal inkomen van €36.000 nog steeds de rente betalen van €10.000. Alleen is het onmogelijk geworden om de aflossing te verzorgen en zal het huis aflossingsvrij moeten blijven. Ergo, het huis wordt derhalve nooit en te nimmer bezit en blijft als permanente schuld bestaan voor de rest van het leven en eveneens resteren als krediet op de bankbalans ad infinitum.

Dat is in een notendop het huidige economische systeem sinds 1945 bepaald door zowel het Keynesianisme als het monetarisme.

De conclusie luidt dat een schuldeconomie immer een beperkte houdbaarheidsdatum heeft en hoe dan ook uiteindelijk in elkaar stort. En er is geen centrale bank of overheid die hier iets aan kan veranderen.

In die situatie zitten wij nu waar helaas niets meer aan te doen valt behalve dan de markten het werk te laten doen in de komende jaren.

8 REACTIES

  1. Ik ben benieuwd, maar 1 ding is zeker, er komen zware tijden aan.
    De economie zal niet ineens instorten, maar het zal geleidelijk gaan. De schuld opbouw gaat door, totdat de toekomst zo zwaar is belast, dat er geen weg terug is. Wat een ellende zal het geven.

  2. @jhon [1]: Alvin Tovler had dat fout, innovatie is de inspiratie voor de productie. De productie met of zonder innovatie blijft de motor van de economie.

  3. Welvaart

    Welvaart ontstaat als beschikbare arbeid wordt aangewend met de beschikbare arbeidsproductiviteit om producten te maken en diensten te verlenen waarvan de mens gebruik maakt. De aard van die producten en diensten dient dan nog bepaald te worden door de behoeften prioriteit van de mens.
    Welke economische theorie men ook verzint, dit uitgangspunt moet daarin herkenbaar zijn wil de toepassing van de theorie tot welvaart leiden.

    In het stuk van Albert Spits worden economische theorieën verketterd en andere aangehangen. Hij doet dat vooral op grond van een beschouwing over het geld.
    Geld is ingevoerd als efficiënt ruilmiddel. Geld helpt om de behoeften prioriteit vast te stellen. Echter omgaan met geld heeft geen autonoom doel. Verkeerd omgaan met geld, zoals in de ogen van de schrijver het verstrekken van teveel krediet of het teveel aanmaken ervan, kan dan ook alleen maar vastgesteld worden door een ongunstige invloed ervan op de basis componenten van welvaart: inzet van arbeid, arbeidsproductiviteit en vervulling van behoeften overeenkomstig prioriteit van de mens.

    Inzet van arbeid wordt door de schrijver behandeld in de vorm van werkloosheid cijfers en participatiegraad in betaalde banen. Op arbeidsproductiviteit wordt nauwelijks ingegaan. Helemaal ontbreekt een analyse naar de prioriteiten van de behoeften bevrediging.

    De voorstanders van een economische theorie proberen de evidentie van de juistheid van hun theorie aan te tonen door historische economische perioden van een samenleving te omschrijven. De schrijver doet dat ook:
    ”Gaan we terug in de tijd, dan zie je dat de jaren 30 hetzelfde fenomeen vertoonde. De economie zakte in naar de reële waarde. In de jaren 40 werd er oorlog gevoerd door o.a. de VS, zodat de mensen hun geld nergens aan konden besteden. De Amerikanen spaarden al hun geld via het kopen van oorlogsobligaties (warbonds) of het vastzetten voor een bepaalde rente op de bank. Dit spaarquotum steeg van bijna 0% in 1929 tot bijna 30% in 1945. Dankzij dit hoge spaarquotum kwam er enorm veel investeringskapitaal vrij op de markt voor civiele productie. Fabrieken die voorheen tanks, vliegtuigen en ander oorlogsmaterieel vervaardigden hevelden hun productie over naar auto´s, radio´s, keukenapparatuur etc.
    Dit was de basis van de enorme vooruitgang die we in het westen sinds 1945 hebben geboekt.”

    Albert Spits is een voorstander van de Oostenrijkse school. In deze economische theorie is het spaarquotum heel belangrijk gemaakt. Beoordeling ervan kan gebeuren aan de hand van de drie pijlers van welvaart: arbeid, arbeidsproductiviteit en behoeften bevrediging.
    In 1945 kwamen er met de vrede heel veel arbeidskrachten, waaronder veel jongemannen in de kracht van hun leven, vrij. Maar de arbeidsinzet, de hoeveelheid mensen aan de slag, steeg niet. Zij die in eigen land voor (afgeleid) militaire doel waren ingezet en zij die het geluk hadden terug te keren gingen enkel ander werk doen. De arbeidsproductiviteit stijging in de oorlogsindustrie, de technische vooruitgang, bleek met de vrede ook te kunnen worden ingezet voor andere producten. Er was dus wèl een aanzienlijke stijging van de arbeidsproductiviteit. En die zette de jaren daarna ook nog door. Tenslotte was de aanmaak van producten en diensten in de oorlog in het beste geval vooral gericht geweest op het verkrijgen van veiligheid. Nu deze primaire behoeften bevrediging, het afwenden van gevaar, met veel minder arbeid verkregen werd, kon men opschuiven in de behoeften prioriteit. Massaal werd arbeid ingezet bij het vervaardigen van producten en het verlenen van diensten waar eerstvolgende prioriteit lag, voeding, wonen, vervoer e.d. Zie daar de verklaring van de toename van de welvaart: een hogere arbeidsproductiviteit en het inzetten van arbeid voor het maken van producten en het verlenen van diensten voor het bevredigen van eerstvolgende behoeften in de behoeften hiërarchie, nadat voor de primaire behoefte van veiligheid veel minder arbeid hoefde te worden ingezet.

    Wat heeft dit met het spaarquotum te maken? Weinig. Veel kapitaal was nodig om de oorlog te bekostigen. Na de oorlog heerste armoede. Er moest weer worden opgebouwd. Er lag niets meer op de plank. Aan een hoog spaarquotum in de oorlog had men na de oorlog niets. De spaarcentjes waren immers ingezet voor de oorlogsindustrie.

    Mavado [5] reageerde op deze reactie.
    Albert S. [6] reageerde op deze reactie.

  4. @anp rebel [4]:

    Als ik het dus goed begrijp vind jij dat;
    – het bijdrukken van geld (1000 miljard tot nu toe),
    – structurele overheidstekorten,
    – helicoptergeld (waar nu over gesproken wordt en dan weet je het wel)
    – rente manipulatie,
    – enz.
    dé manieren zijn om de welvaart te verhogen?

  5. @anp rebel [4]: ,,Wat heeft dit met het spaarquotum te maken? Weinig. Veel kapitaal was nodig om de oorlog te bekostigen. Na de oorlog heerste armoede. Er moest weer worden opgebouwd. Er lag niets meer op de plank. Aan een hoog spaarquotum in de oorlog had men na de oorlog niets. De spaarcentjes waren immers ingezet voor de oorlogsindustrie.“

    – Je geeft hier al het antwoord. Er moest weer worden opgebouwd na de oorlog. In de VS hoefde niets te worden opgebouwd, want de VS had nauwelijks last van de oorlog, behalve dan de paar honderdduizend militairen op een bevolking van ongeveer 130 miljoen. De spaarcentjes werden niet deels ingezet voor de oorlogsindustrie, maar voornamelijk voor de warbonds, die daarmee de oorlog konden financieren. Op deze warbonds kreeg men rente, die men spaarde. Het waren niet de warbonds die voor de opleving zorgden na de tweede oorlog in de VS, maar juist het spaargeld verdiend door de rente en de afwezigheid van consumptiegoederen in de oorlog.

    Met dit spaargeld werd de basis geschapen voor de investeringen in de civiele productie. De militaire productie werd grotendeels gefinancierd met gedrukt geld en de warbonds. Hoewel de dollar behoorlijk was gedevalueerd ten aanzien van de dollar van 1913 kon het toch als fundament dienen voor de naoorlogse hausse in productie. Tevens werd het weer gekoppeld aan goud na het Bretton Woodsakkoord. De dollar-goudwisselstandaard zorgde voor een stabiliteit van het mondiale monetaire stelsel, zodat er nauwelijks schokken onstonden in valuta die bijvoorbeeld instortten tijdens het Bretton-Woodsakkoord van 1944-1971.

    Met andere woorden spaargeld is de basis van de investeringen geweest die voor de productie kon zorgen. De arbeidsproductiviteit kon hiermee eindelijk omhoog worden geschroefd met bijv. moderne productiesystemen, efficiënte managementtechnieken en afbouw van de tarievenstructuur alsmede exportexpansie.

    anp rebel [7] reageerde op deze reactie.

  6. @Albert S. [6]:

    Welvaart en spaarquotum

    Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen eerste-orde en tweede-orde effecten op de welvaart. De eerste-orde effecten heb ik beschreven: arbeidsinzet, arbeidsproductiviteit en het maken van producten en het verlenen van diensten waar in de behoeften prioriteit ligt.

    De invloed van de manipulatie met geldstromen behoort tot de eventuele tweede-orde effecten. Door geld ineens uit omloop te nemen of juist veel geld bij te maken kan de nuttige rol van geld zoals efficiënt ruilmiddel en prioriteit bepaler van behoeften aangetast worden. Daardoor kan dan een nadelig effect ontstaan op arbeidsinzet, arbeidsproductiviteit en de relatieve aanmaak van producten en de verlening van diensten waar mensen het meest aan hebben.

    Het klinkt misschien raar maar het doet er niet toe hoeveel geld er in omloop is zolang de transacties van goederen en diensten maar praktisch uitgevoerd kunnen worden. Het maakt dus in principe voor de welvaart niets uit of een brood € 1 of € 100 kost.

    Ook de herkomst van het geld doet er niet toe. Denk aan de volkswijsheid: Geld stinkt niet. Voor een ondernemer maakt het niet uit of het geld dat hij bijvoorbeeld leent van een bank afkomstig is van een spaarquotum van gezinnen of gekoppeld is aan goud of ongedekt door de bank wordt bijgeschreven of misschien zelfs is bijgemaakt door de staat. Dus hoe de geldhoeveelheid in een samenleving tot stand is gekomen maakt niets uit voor de welvaart.

    Een rekenvoorbeeld. Stel alle geldbezittingen en geldschulden in de samenleving worden in gelijke mate veranderd. Eerst worden ze met ⅔ verhoogd. Een tijd later worden ze met de helft verminderd. Iedereen is daardoor ⅙ van zijn positieve en negatieve geldsaldi kwijt geraakt. De rentestanden zullen daardoor geen wijziging ondergaan. Wat is het effect op de welvaart van deze inflatie gevolgd door deflatie en resulterend in een einddeflatie? Niets zolang als het geld zijn functies in het economisch verkeer van goederen en diensten behoudt. Dus geen tweede-orde effecten optreden. Bedenk ook dat er altijd inflatie of deflatie is ook als de geldhoeveelheid niet verandert. De hoeveelheid beschikbare producten en diensten verandert immers ook voortdurend. Ook niks mis mee vanuit het perspectief van welvaart gezien. Hooguit het gevolg van welvaart veranderingen.

    Kijk, het is een andere zaak als bijvoorbeeld de staat geld bij gaat maken en dat uitdeelt aan zichzelf, waarmee zij producten voor haarzelf laat maken, diensten laat verlenen of zelf meer mensen in dienst neemt. Deze initiatieven kunnen er voor zorgen dat de arbeidsinzet of de arbeidsproductiviteit omlaag gaat of resulteren in het maken van producten en het verlenen van diensten waar geen behoefte aan is. Of juist andersom. Ook rentestanden zullen hier gevoelig voor zijn. Dit kan de welvaart dus wel beïnvloeden. Dit komt echter voort uit de wijziging van de verdeling van het geld over de samenleving, niet uit de hoeveelheid geld in omloop of wijzigingen daarin. Zo’n wijziging van de verdeling van het geld kan ook optreden zonder wijziging van de totale geldhoeveelheid.

    Hiermee wordt wellicht duidelijk wat het zwakke punt is van veel economische geld theorieën. Zo behandelt men soms het genoemde tweede-orde effect ten onrechte als eerste-orde effect. En verder onderscheidt men in onvoldoende mate wijzigingen in de geldhoeveelheid als geheel in een samenleving enerzijds en wijzigingen in de verdeling van het geld binnen die samenleving anderzijds. Aan Albert Spits het advies om nog eens goed te kijken naar de door hem aangehangen spaarquotum theorie op deze punten. Veel opmerkingen van hem snijden hout, dus dat heeft zin.

    Het voorbeeld van de welvaartstijging in de V.S. na WO II kan hij beter laten rusten. Ook in de herkansing is het niet over de streep getrokken:
    – Het is een tegenstrijdig verhaal geworden. Zo erkent hij dat de V.S. diep in de oorlog zat. Hij geeft tevens aan dat de financiering van die oorlog gebeurde door warbonds, massaal aankopen van obligaties door de bevolking. Hieruit volgt al dat ook de V.S. door oorlogvoering op hoge kosten werd gejaagd. Verder geeft Albert Spits nog aan dat de consumptie tijdens de oorlogsjaren sterk was afgenomen. Voorwaar genoeg argumenten om aan te nemen dat ook de V.S. na de oorlog weer moest gaan opbouwen, dus er geen beschikbaar spaarkapitaal was. Het ontkracht zijn bewering dat het spaarquotum de oorzaak van de welvaartstijging na de oorlog was. Maar toch houdt hij aan deze opvatting vast door tevens te beweren dat de oorlog eigenlijk niet veel kosten voor de VS had gebracht. Er was niets kapot gemaakt. En op 130 miljoen inwoners deden volgens hem een paar honderdduizend soldaten er niet toe.
    – Er zijn echter aanwijzingen dat er geen spaarquotum kan zijn geweest. Arbeidsinzet van krachtige jongemannen moet je niet gelijk stellen aan die van baby’s, grijsaards, zieken, vrouwen en vrijgestelden. Er waren ongeveer 10 miljoen mannen tussen 20 en 30 jaar. Inzet van de ’militairen in combat’ bedroeg al miljoenen, waarvan ca. 400.000 gesneuveld. Daarbij komen dan nog de miljoenen arbeidskrachten, waaronder ook veel jonge mannen, die direct of indirect bij de oorlog betrokken waren. Ook in de V.S. werd een volledige oorlogsindustrie opgetrokken. De V.S. maakte zijn eigen wapentuig. Schatting voor alle Diensten samen, dus exclusief toelevering, bedraagt 11 miljoen personeel. Kapitaalgoederen in de consumptie industrie zullen ook vervroegd afgeschreven zijn geweest.
    Albert Spits heeft wel gelijk als hij stelt dat de V.S. niet is gebombardeerd. Dat is ook een reden dat het welvaart niveau na de oorlog hoger lag dan in Duitsland.
    Tenslotte geldt dat er geen spaarquotum kan zijn ontstaan door het aan de bevolking uitbetalen met rente van de ingelegde obligaties (warbonds). Immers dat geld was al besteed aan de oorlogsuitgaven. Eventuele uitbetaling, indien geen geld is bijgemaakt, moet zijn gefinancierd vanuit de belastinginkomsten van de staat. Maar met rondpompen van geld wordt geen spaarquotum opgebouwd en het geeft ook geen welvaart.

    Methodisch zou naar mijn idee Albert Spits juist meer de nadruk kunnen leggen op de volgende delen van onderzoek:
    – Specificeer de orde van grootte van een spaarquotum die effect zou hebben op welvaart;
    – Geef aan hoe het spaarquotum bij benadering kan worden vastgesteld;
    – Definieer welvaart(stijging) in brede lijnen in termen van de behoeften hiërarchie en de verdeling van de bevrediging van behoeften over de bevolking;
    – Probeer duidelijk te maken dat er geen sprake is van een toevallige samenhang of slechts parallelle ontwikkeling van spaarquotum en welvaart. Tracht duidelijk te maken waarom spaarquotum niet gevolg is van welvaart maar oorzaak. Geef ook aan of spaarquotum een voldoende of een noodzakelijke voorwaarde is voor welvaart.
    – Noem 20 combinaties van samenleving en tijdstip waar het verband te zien zou zijn. Geef aan hoe zij geselecteerd zijn. Dat kan aselect zijn.

    Rest mij nog waardering uit te spreken voor het artikel van Albert Spits. Waardering die ook tot uiting komt door de uitvoerigheid van mijn commentaar.

    Albert S. [8] reageerde op deze reactie.

  7. @anp rebel [7]: Hartelijk dank voor je inbreng en waardering. Ik zie echter wel dat er verschillen van opvatting zijn in diverse zaken. Ik zal deze in een volgend artikel verder benoemen en daarop wat uitgebreider ingaan, omdat anders de beantwoording te lang gaat worden. Het gaat met name over het verschil tussen economie (gedragsleer) en wiskunde (exacte wetenschap).

    Daardoor is het moeilijk om onderscheid tussen de twee te maken, omdat wiskunde een één op één correlatie heeft en economie helaas niet.

Comments are closed.