Dat de inkomstenbelasting met 2% begon en naar 50-70% ging en de BTW van ook zo weinig naar 21%, weten we hier wel, maar het kan (veel) erger.

In Duitsland kun je al veroordeeld worden omdat anderen (je) aangeven omdat ze vinden op sociale media door jou beledigd te zijn. Dus wanneer ik te hard roep dat ‘belasting diefstal is’, loop ik de kans dat een belastingambtenaar mij aanpakt en laat veroordelen. Zo is er altijd wel iemand die zich beledigd voelt. Of erger, iemand die 10 jaar later jou met je toen volstrekt acceptabele uitspraken confronteert/veroordeelt. Daar is het Wilders proces nog niets bij. Ondertussen gaat de vrije meningsuiting bij het groot vuil. Inmiddels zijn de onverwachte consequenties dat er nauwelijks geschoolden, bij Facebook etc, gaan bepalen of jouw post door de beugel kan. En gaan steeds meer mensen zelf censuur toepassen opdat ze geen gedoe krijgen. ook een manier om de eenheidsworsten te krijgen.

Ander voorbeeld: Op basis van de ‘Pakze-wet” waarbij veroordeelden hun vermogen aan de Staat kwijtraken, gaat de Rotterdamse politie bij lieden die nog helemaal niet veroordeeld zijn, waardevolle spullen ‘ontnemen’. Weer dat oprekken van boete en gevangenis straf, naar afpakken vóór er een veroordeling is. Blijkbaar omdat het veroordelen lastig is. Zou dit ontnemen van de Rolex bij die hangjongere kunnen, dan is de volgende stap de bontjas of het schilderij van de bejaarde. En is iedereen verdacht of ontneembaar. Gek?, wat dacht u van het standaard ontnemen van cash geld zodra het meer dan € 10.000 is en er geen ‘goede’ verklaring voor is? Dat wordt al heel normaal gevonden.

Voeg daar de al bestaande kliklijnen aan toe en je bent akelig dicht bij een politiestaat.

 

82 REACTIES

  1. @Matthijs [1]: Nouja, als die bange in de meerderheid zijn en de heerser heerst ook over jou, wat ga je dan doen als minder bange?

  2. Het klinkt een beetje als een huwelijk, voor dat je het weet ? tralalala, nou ja je krijgt er iets voor terug !

  3. @Mrbleusky [7]: Ja dat mag niet meer, het is ook vies om geld te verdien, heb jaren in antiek en kunstvoorwerpen gehandeld, alles cash, het was een vrolijke boel ieder één profiteerde er van, ja joh leven is leuk, maar van die zielige bureaucraten mag dit niet, bureaucraten is het ergste wat er bestaat, als je beweegt en ondernemend bent, kom je ze voortdurend tegen, ja handlangers zijn soms erger als de opdrachtgever, groet

  4. Civil asset forfeiture heet dat in america geloof ik, daar steel de politie meer bij elkaar (1 billion) dan dat er ontvreemd wordt door ander criminelen zonder kostuum.

    complete woningen worden in beslag genomen wel afbetaalde woningen want anders is dat zoveel gedoe met zo’n hypotheek natuurlijk voor de politie.

    Dieven zijn het. Punt.

    Zé [14] reageerde op deze reactie.

    • De moordenaars

      Overal ter wereld zijn mensen die doden als beroep hebben, zich oefenen in het doden en anderen leren doden. Ze zijn gekleed in opzichtige kledij, in de trant van onbeschaafde mensen en hebben gouden versiersels op hun mouwen, kraag en hoed. Ze dwingen respect af bij andere mensen en hoe meer gouden versierselen ze hebben, hoe groter dat respect is. Aan hun gordel dragen ze een instrument dat op een lang mes lijkt, waarmee ze inhakken op mensen die hun niet aanstaan en die ze willen doodmaken. Het aantal mensen dat het hun niet naar de zin durft te maken is dus klein.

      In de Staat zijn dat de enige mensen die het recht hebben te doden. De enige? Nee. In werkelijkheid is er nog iemand anders die met hen het recht deelt om te moorden: hij wordt beul genoemd. Maar in tegenstelling tot degenen over wie ik het heb, geniet de laatste bij het publiek geen enkel aanzien. De reden daarvoor is dat hij geen versiersels op zijn mouwen heeft. Maar de eersten worden geëerd, gekoesterd, benijd en bewonderd. Vrouwen vinden hen prachtig, de droom van elk meisje is een van hen als echtgenoot, en alle jongens willen net als zij worden. Ze zijn ook heel trots op hun kaste. Ze zetten een hoge borst op, smeren pommade in hun snor en spreken met dure woorden. Alle tijd die zij niet wijden aan de kunst van het doden, brengen ze door met het drinken van sterke dranken die hen gek maken, of in geheime, besloten huizen. Dat blijkt uit de gesprekken die zij voeren, met een grote voorkeur voor de seksuele daad en als we hen mogen geloven, maken ze daarvoor graag gebruik van de vrouwen van anderen. Ze lenen zich nog voor heel wat andere zaken: bijvoorbeeld ivoren ballen laten rollen op een groene tafel.

      Het is het volk dat hun fraaie kleren betaalt, hun versierselen, hun sigaren, hun pommade, hun moordinstrument, hun paarden, hun maîtresses, hun absint en hun biljartpartijtjes. Maar het volk is te zeer vereerd om te mogen bijdragen aan de uitgaven van de mannen-die-het-alleenrecht-hebben-om-te-doden.

      Ze zeggen dat ze de belangrijkste plaats innemen in het land en in feite heeft hun ambacht een zeer oude oorsprong: het gaat terug tot onze goede voorouders, de wilde dieren. Daarom zijn die heren heel gevoelig wat betreft het punt eer: net als de vrouw van Caesar, mogen ze zelfs nergens van verdacht worden. Verder heeft hun eer niets gemeen met die van de andere mensen. Die staat boven hen, zoals de zon boven de wolken. Verreweg de meeste burgers begrijpen dat heel goed.

      De geschiedenisboeken beweren dat het volk honderd jaar geleden boos was en eiste dat er voortaan maar een enkele rechtspraak was voor iedereen. Dat werd beloofd. Maar mensen die zo onmisbaar zijn als de Moordenaars kunnen niet onderworpen zijn aan dezelfde wetten als de boeven. (Zo noemen ze mannen die geen rooie benen en geen blauwe borst [1] hebben: de arbeiders, geleerden en kunstenaars. En het is een feit dat die kleine luiden een zuur gezicht trekken als ze hen zien.) En zoals ze hun eigen eer hebben, hebben ze ook hun eigen rechtvaardigheid. Wat voor rechtvaardigheid? Natuurlijk, de rechtvaardigheid van lieden die een groot mes opzij dragen.

      Ze hebben een, overigens zeer slecht omschreven, speciale godsdienst, waarover nauwelijks overeenstemming bestaat. Het voorwerp van hun eredienst is een godin, of liever gezegd een god, die zij Vaderland noemen. Die aanbidden ze fanatiek en dulden daarover geen enkele grap. Zij bevelen iedereen om erin te geloven, hoewel ze niet kunnen vertellen wat het precies inhoudt. Maar als mensen alleen geloven wat ze kennen, wat is er dan nog verdienstelijk aan? De ceremonieën waarmee zij hun god vereren, zijn de grote bloedbaden die ze aanrichten onder volken, die ze zelf slachtpartijen noemen.

      Terwijl hun fraaie uitmonstering ervoor zorgt dat ze bewonderd worden, zorgt hun grote mes ervoor dat ze gevreesd worden. Toch zullen ze niet erg gevaarlijk zijn, als hun middelen hen ontnomen worden. Want alles bij elkaar vormen ze slechte een kleine minderheid naast de enorme massa van gewone burgers. Maar ze beschikken wel over een reusachtig aantal slaven die, op een teken van hen, aan komen rennen en aan het moorden slaan.

      Elk jaar maken ze een keuze uit de jongemannen en lijven er duizenden in. Ze sluiten hen op in gebouwen die daarvoor met opzet zijn opgetrokken, steken hen in gekleurde kledij, overeenkomstig die van hun, maar ongemakkelijke, lelijke en smerige. Ze terroriseren hen met afschuwelijke dreigementen, verheffen hun stem als ze tegen hen spreken en vervolgens doen zij alles wat ze willen. Ze voeden hen met bedorven spullen en leren hen verschillende manieren om iemand op bevel dood te maken. Na een paar jaar keren ze terug naar hun gezinnen met beschamende ziekten. “Jullie hebben hen ons gegeven als mannen,” zeggen ze, “wij hebben er helden van gemaakt.”

      Voordat ze gekozen werden, wilden de jongemannen allemaal een held worden. Eenmaal gevangen wilden ze er vandoor. Velen maakten een eind aan hun leven, enkelen kwamen in opstand. Die werden gemarteld of ter dood gebracht. Zo gezien, gehoorzaamden ze liever.

      Ze zeiden: “leerling-moordenaars, aan de andere kant van de bergen wonen buitengewoon slechte mensen. Zijn dat eigenlijk wel mensen? Dat is onwaarschijnlijk, gezien ze een onbegrijpelijke taal spreken en zuurkool eten. Die wilde wezens hebben het gemunt op jullie god. Hij is zo mooi, dat ze hebben gezworen hem jullie af te pakken. Maar wij zijn er ook nog. Op de afgesproken dag zullen wij je naar die monsters toe brengen. Jullie zullen hen doden en zij jullie. Wees niet bang: wij zullen achter jullie staan. – Intussen moeten jullie, als oefening, zonder aarzelen iedereen afmaken die wij je aanwijzen: jullie vaders, broeders, moeders en zusters.”

      En dan gebeurt er dit: elke keer als het volk bijeenkomt op de stadspleinen om te vragen om gerechtigheid, zullen de slaaf-moordenaars, die beducht zijn voor de woede van hun meesters, zonder aarzelen hun vaders, moeders, broeders en zusters doden….

      Soms laten de Moordenaars hun slaven, achter de muziek aan, door de straten lopen. Een van hen draagt een stok en aan die stok is een stuk stof vastgemaakt. Dan blijven de gewone mensen stilstaan, bewonderen de levendige kleuren, de versierselen en opsmuk en als de stok voorbijkomt – onder de striemende regen die hen uitjouwt en geselt, – zetten ze hun pet af.

      Mrbleusky [80] reageerde op deze reactie.

  5. De regenmakers

    Op straat kom je soms vreemde lieden tegen: ze hebben een jurk aan, zoals de vrouwen, maar het zijn mannen. Hun gewaad is zwart, hun gang traag, hun optreden ernstig, hun stem honingzoet en hun ogen zijn naar de grond gericht. Zorgvuldig scheren zij de haren van hun gezicht, zoals de toneelspelers en kelners. Boven op hun hoofd scheren zij ook een klein rondje haren weg. Het zijn de regenmakers.

    Hun functie is de volgende: als bemiddelaar dienen tussen de gewone mensen en iemand die, zo beweren zij (en dat is opvallend) in de wolken woont. Een bijzonder belangrijke functie, zoals je wel kunt denken.

    Er heerst een grote vijandigheid tussen alle regenmakers ter wereld: die van het ene land beschouwen de anderen als charlatans, als bedriegers. Maar wij, die het geluk hebben geboren te zijn in het land van de rooms-katholieke regenmakers, wij weten zeker dat hun wolkenbewoner de echte is.

    Hoe heet die beste man die daar boven woont? – Al naar gelang plaats en tijd, heeft hij verschillende namen: Jehova, Brahma, Allah, Boeman, de grote Castor, Manitou, enz… Laten we hem, zo je wilt, Manitou noemen.

    Waarvan is hij gemaakt, de heer Manitou? – van hout, beweren de zwarte tovenaars. Maar de blanke tovenaars glimlachen minzaam: “hij is nergens van gemaakt.” Ik denk dat zij het bij het rechte eind hebben. “Hij is overal en nergens.” Nergens, ik denk dat ze gelijk hebben.

    Als droogte het lot van de oogsten bedreigt, verzamelen de bemiddelaars hun kudde en roepen: “Bid, broeders, opdat de Heer onze verdroogde akkers weldadige nattigheid schenkt.” Daarna werpen ze zich op hun knieën, strengelen de vingers van hun twee handen ineen en mompelen heel snel een reeks Latijnse woorden die ze uit hun hoofd hebben geleerd.

    Na kortere of langere tijd, regent het. De mensen zijn gered.

    Er zijn grappenmakers (die zijn er overal) die grinnikend te verstaan geven dat die regen vroeg of laat toch moet vallen, en ook nog uit zichzelf, zonder tussenkomst van de mannen in sombere gewaden. Wat een godslastering!

    Maar wij gaan niet onze tijd verdoen met het weerleggen van die tragische lui. Laat die maar in hun sop gaarkoken.

    Dat voorbeeld – waaraan ze hun naam ontlenen – toont het nut van die tussenpersonen voldoende aan. Dat nut is enorm: het strekt zich uit tot alle gebeurtenissen in het leven. Als een kindje ter wereld komt, haast men zich het naar de tovenaar te brengen, die het puntje van de neus inwrijft met een snufje zout, enige gebaren maakt en Latijnse woorden uitspreekt. En dat is heel gelukkig voor het kindje, want zonder dat heeft de wolkenbewoner een hekel aan het kind en laat het lijden na zijn dood.

    Dat is geen reden om te denken dat de heer Manitou slecht is. Nee, het is een goeie man die houdt van de mensen, mits die mensen alles doen wat hij wil en hij wil dat we zout strooien op het hoofd van de pasgeborenen. Wat de regenmakers uitleggen aan de kindertjes, zodra ze jaren des onderscheids bereikt hebben is het volgende: “Wat is Manitou? – Manitou is zuiver geest, eeuwig, oneindig volmaakt, schepper van hemel en aarde, en de almachtige Heer van de schepping. Wat is een mysterie? – Een mysterie is een over Manitou onthulde waarheid, die wij moeten geloven, hoewel we die niet kunnen begrijpen. – Wat is de Hemel? – De Hemel die ook wel Paradijs genoemd wordt, is een lustoord, waar iedereen naartoe gaat die de regenmakers gehoorzaamt. – Wat is de Hel? – De Hel is een oord van kwellingen, waar de verdoemden voor eeuwig gescheiden zijn van Manitou en samen met de duivels kwellingen ondergaan die nooit ophouden. – Wie gaan er naar de Hel? – Naar de Hel gaan zij die de regenmakers niet gehoorzamen.”

    Dat wordt geleerd, maar daar heb ik geen verstand van. Daarbij blijft het niet en het is een waar genoegen om die kleine jongens en meisjes van tien jaar met overtuiging de “geboden” van Manitou te horen opzeggen:

    Gij zult niet doodslaan.
    Gij zult niet echtbreken.
    Gij zult niet stelen.
    Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
    Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is enz…

    De naam van de schrijver die, geïnspireerd door Manitou, de moeite genomen heeft die gebeitelde zinnen op te schrijven, is ons niet overgeleverd. Het maakt niet uit: verzen of proza, het zijn wijze raadgevingen, en die tussenpersonen kunnen niet genoeg geprezen worden voor het waarschuwen van tienjarige kleuters om niet de vrouw van hun naaste te begeren. Er is hier duidelijk sprake van een noodsituatie.

    De regenmakers leren de kindertjes nog heel wat andere, zeer interessante dingen. Zij leren hun dat Manitou tegelijkertijd een en drie personen is, dat hij tegelijkertijd zijn eigen vader en zijn eigen zoon is; dat hij, omdat hij een en al goedheid en almachtig is, op een dag het universum wilde maken, de dieren, de mensen en meteen de ziekten, oorlogen, misdaden, onrechtvaardigheden, alle lijden en alle schandelijkheden. Zij leren hun dat Manitou, de liefde zelve, een fout van een minuut vergeldt met een eeuwigheid aan straffen; dat Manitou, de rechtvaardigheid zelve, zich laat beïnvloeden door smeekbeden, geschenken en beloften, precies zoals onze rechters in toga. Ze leren hun dat Manitou ooit een kind verwekte bij een jonge vrouw, op een manier die alleen hij kent en die geenszins de goede zeden geweld aandeed; en dat dat kind, volwassen geworden, alleen maar de openbare orde verstoorde, en aan zijn eind kwam door, op last van de regering, aan een kruishout genageld te worden. En terwijl ze de lof zingen van de zoon van Manitou, van wie zij beweren leerling te zijn, drukken ze hun toehoorders op het hart om nooit te doen zoals hij en ze klappen in hun handen elke keer als de regering een spijker in het vlees van een ordeverstoorder jaagt.

    De regenmakers vertellen de kindertjes ook nog dat het leven niet het leven en de dood niet de dood is; dat het volstrekt zinloos is om gelukkig te zijn zolang je ademhaalt, maar dat het heel belangrijk is dat te zijn, wanneer we wegrotten onder de grond; en dat de beste manier om van dat grote geluk te proeven is door vrijdag geen vlees te eten en veel geld te geven aan de Kerk.

    Terwijl ze spreken in naam van hij die gezegd heeft: “Gij zult niet doden,” zeggen de rooms-katholieke tovenaars steeds weer dat er geslagen, gezwaaid en schrik aangejaagd moet worden met het zwaard. Terwijl ze spreken in naam van hij die gezegd heeft: “Bemint elkander,” blijven zij roepen: “Haat elkander!”

    Aan het eind van een paar jaar van die degelijke opvoeding, sporen de regenmakers de kinderen aan om Manitou op te gaan eten. Na het zingen van slepende liederen ter ere van het nieuwe voedsel, begeven de jongens en meisjes zich met een schijnheilige houding naar een balustrade toe en in hun wijd geopende mond, gooit de dienstdoende tovenaar de wolkenbewoner, die voor de gelegenheid de gedaante heeft aangenomen van een rondje glanzend brood. Het is, zo verzekeren ze, de mooiste dag van hun leven. Ik geloof dat zonder meer.

    Voordat ze toegelaten worden tot de eer van het verteren van een zo verbazingwekkende etenswaar, moet ieder kind zijn geweten zuiveren ten overstaan van een tovenaar: “Welke zonde heb je begaan, mijn kind? – Ik weet het niet. – Kom, kom: heb je nooit dit of dat gedaan, of weer een keer dit? – Die afschuwelijke dingen ken ik niet! – Ach, nu weet je wat ze zijn: dus nooit doen!” In de loop van het bestaan moet die kleine ceremonie vaak herhaald worden, telkens als mensen zich moeten schoonwassen van hun slechte daden. “Vader, ik heb gejokt, ik heb gepikt, ik heb gedood…. – Heb je berouw, mijn zoon? – Nou en of! – Goed. Dan geef ik je de absolutie. Ga heen: je bent weer smetteloos als sneeuw.” Veel mensen vinden die gang van zaken heel handig: de officieren van de generale staf zouden het bijvoorbeeld niet kunnen missen.

    Bij elke belangrijke gebeurtenis in jullie leven zijn de regenmakers dus aanwezig en maken daarvan iets dat Manitou behaagt. Of het nou gaat om trouwen, of zelfs sterven, het is verstandig dat niet te doen voordat een tovenaar een paar druppels van een geheimzinnig water over jullie geplengd heeft. Je begrijpt nu dus wel hoe onmisbaar die mannen zijn en als je bedenkt dat er mensen zijn die zich zonder reden onttrekken aan hun heilig ambt, wordt je bevangen door een hevig mededogen.

    De regenmakers leggen de belofte van armoede af; ze bezitten dan ook slechts enkele armzalige miljarden. Ze leggen de belofte van kuisheid af en zeggen: “De vrouw is een onrein wezen; laten we niet bezwijken voor een vrouw!….Laten we bezwijken voor jongetjes.”

  6. De vonnissers [4]

    Er zijn mensen die van het vonnissen van mensen hun beroep maken.

    Elke dag laten ze enkele van hun medemensen voor zich opdraven: ze ondervragen hen, wegen hun daden en bedoelingen af en zeggen: “Dat is goed en dat is slecht” en verklaren dat die slechte daad vergolden moet worden met zoveel straf; daarna geven ze een teken aan andere mensen die belast zijn met het toedienen van die straf.

    Wie zijn die mensen die over andere mensen oordelen dan? Heiligen, of op zijn minst helden van de deugd?

    Allerminst. Het zijn mensen zoals jij en ik, niet beter of slechter dan de anderen; soms slechter.

    Wanneer de jongelui van de kaste der rijken op de middelbare scholen, zo goed en zo kwaad als het gaat, op kosten van de armen, dat wat hun studie genoemd wordt beëindigd hebben; wanneer ze, op grond van aanbevelingen, hun examens hebben afgelegd en op grond van bedrog een diploma behaald hebben, afgestempeld door de Staat, die verklaart dat ze beter zijn dan de rest van de mensen, – komen hun ouders onthutst bijeen en zeggen: “wat gaan we doen met onze erfgenaam?” De erfgenaam, die geen zin heeft in nuttig werk en in navolging van zijn ouders wil leven ten koste van de massa, antwoordt soms: “Ik wil moordenaar worden.” Dan betreedt hij onder hoede van de regering, Saint-Cyr of de Polytechnique. [2] Een andere keer antwoordt hij: “Ik wil rechten studeren.”

    “Rechten studeren” is de droom van alle jongelui van de bourgeoisie zonder roeping en zonder idealen, met een gevoelloos hart en lege hersenen, gelukkig met het doorbrengen van hun beste jaren met lanterfanten en pierewaaien op de trottoirs van het “quartier latin.” Het is ook de droom van de kleine strebers, toekomstige menseneters, het taaie onkruid van politici en bestuurders.

    Hun belangrijkste bezigheid zal drinken zijn, opzichtig en in gezelschap van ongelukkige vrouwen die gedoemd zijn om voor hun levensonderhoud hun lichaam te verkopen aan voorbijgangers. Zij verachten de mannen en die verachten hen, maar toch vertonen ze zich met die vrouwen op de cafÉterrassen, om iedereen te laten denken dat ze man zijn. Vaak maken ze het nog erger; ze vermaken zich enige tijd met meisjes uit het volk, arme voor alle verleidingen gevoelige zieltjes, maken hen zwanger en laten hen in de steek, – drijven hen achteloos tot zelfmoord of schande, naar de rivier of de goot.

    In tijden van sociale onrust, scheppen ze genoegen in het ingooien van een paar ruiten, zoveel mogelijk lawaai maken en iets toe te juichen of uit te jouwen. Wat? ze weten niet zoveel, herhalen wat ze horen in hun familie, of wat ze lezen in de kranten. Maar instinctief zijn ze altijd tegen het volk en als ze een goede zaak toejuichen, is dat vast toevallig.

    Wanneer de studentenoptochten, het cafÉ en de meisjes hun enig respijt gunnen, gaan ze naar een schoolgebouw en luisteren daar naar ernstige mannen met een apentronie, die hun onrechtvaardige dingen leren. Daar leren ze verachting te hebben voor de eenvoudige, in oprechte mensen uit zichzelf ontsproten, gerechtigheid en bewondering voor in de wetboeken afgedrukte onrechtvaardigheid, de erfenis van onze voorouders, de wilde dieren; ze leren vooral respect voor het op diefstal gebaseerde eigendom. Om hun het begrip in te prenten van wat rechtvaardig is, konden ze niets beters bedenken dan hun bewondering te wekken voor de wrede instellingen van een hardvochtige en meedogenloze natie, die al bijna vijftien eeuwen geleden aan bederf ten onder ging en beroemd is onder de naties die de aarde en de mensen het meest geterroriseerd hebben. En met het beetje schoon geweten dat die beklagenswaardige jongelui had kunnen redden van hun familie en het college, rekenen ze af door het te verliezen.

    Met reden kunnen ze zeggen dat het de studie is van hun recht, en niet van het recht; zonder dat zij zich daarvan misschien rekening geven, voelen ze toch dat wat zij daar leren, niet het ware recht is, maar een speciaal voor hen bestemd recht.

    Geschreven door Henri Gauche, pseudoniem voor René Chaughi.(1870-1926)
    Zie: https://verbodengeschriften.nl/html/rene-chaughi-de-drie-handlangers.html

    Er is bar weinig veranderd sindsdien.

    Nico [27] reageerde op deze reactie.

  7. @Zé [17]: Interessante teksten. Als je dat samenvat, dan wordt er allerlei ellende veroorzaakt doordat groepen mensen dwingend hun wil opleggen aan individuele mensen. Waardoor die individuele mensen nooit daadwerkelijk gezond kunnen functioneren, of ze nu groepslid zijn of niet.

    Zé [28] reageerde op deze reactie.

    • @Nico [27]: Dag Nico,

      En tsja, die groepen mensen die individuen dwingend hun wil opleggen bestaan ook weer uit individuen, etc.
      En zo blijven ‘we’ lekker aan de gang.
      Eén van de redenen dat ik in de stilte en eenzaamheid verkies te leven, zonder al die ruis om mij heen.
      Met als gevolg dat als ik dan soms toch in de wereld van de ruis verkeer, ik doof word van het lawaai….

      peter [30] reageerde op deze reactie.

  8. @Zé [28]: Herkenbaar deze weg…soms moet je richting de draaikolk van de krankzinnigheid om daar iets van nut voor jou eruit te halen om dan zo snel als mogelijk weer in de rust te verdwijnen.

  9. Mooie leerzame discussie hier, ook leerzaam voor de al langer blootstaande aan dit leven ik bedoel niet onder de douche natuurlijk, maar die gene met een open mind, groet !

Comments are closed.