De Britse filosoof Thomas Hobbes heeft ons als geen ander bang gemaakt voor het “primitieve” bestaan buiten de staat. Dat is volgens hem “lonely, poor, nasty, brutish and short … no arts, no letters, no society – and which is worst of all: continual fear, and danger of violent death”.

Dat de “natuurtoestand” zo ellendig is, komt volgens Hobbes omdat mensen nu eenmaal slecht zijn en elkaar naar het leven staan. De enige oplossing: een sterke staat om hen in het gareel te houden.

Uiteraard bevat dit argument een levensgrote tegenstrijdigheid, waarop al vaak is gewezen: als de mens van nature slecht is, dan is de staat dat ook, want de staat bestaat uit mensen. De staat kan dus nooit een oplossing zijn van het probleem. (Zie bijvoorbeeld dit artikel van Robert Higgs, voor wie hier meer over wil weten.)

Maar waar ik het hier over wil hebben is niet de vraag of we wel of geen staat nodig hebben, maar of het leven in de “natuurtoestand” echt zo beroerd is/was in vergelijking met het leven binnen een staat.

Een boeiend boek over dit onderwerp is Against the Grain – A Deep History  of the Earliest States, van James C. Scott, dat in 2017 is verschenen bij Yale University Press. Volgens Scott, een hoogleraar aan Yale – geen “libertariër” of “anarchist” voor zover ik weet, maar wel iemand die al heel lang kritisch reflecteert op hoe staten functioneren, getuige zijn eerdere boeken Seeing Like A State en The Art of Not Being Governed – is het idee dat de komst van de staat een zegen was op zijn zachtst gezegd discutabel.

De geschiedenis van de mens, schrijft Scott, wordt meestal verteld als een succesverhaal met een opgaande lijn, waarin de vorming van de staat een belangrijke rol speelt.

“The narrative of this process has typically been told as one of progress, of civilization and public order, and of increasing health and leisure … From Thomas Hobbes to John Locke to Giambattista Vico to Lewis Henry Morgan to Friedrich Engels to Herbert Spencer to Oswald Spengler to social Darwinist accounts of social evolution in general, the sequence of progress from hunting and gathering to nomadism to agriculture (and from band to village to town to city) was settled doctrine…. No one, once shown the techniques of agriculture, would dream of remaining a nomad or forager.”

In deze standaard interpretatie van de geschiedenis word er vanuit gegaan dat het ontstaan van de landbouw leidde tot een “sedentair” bestaan gevolgd door de vorming van staten, die de economie organiseerden en zorgden voor de broodnodige cultuur, maar deze voorstelling van zaken is te simpel volgens Scott.

De eerste staten, schrijft hij, ontstonden rond 3100 BCE (voor Christus) – vierduizend jaar na het ontstaan van de landbouw. Duizenden jaren lang wisten de “barbaren” zich prima in leven te houden, noteert Scott – een periode die hij met een knipoog omschrijft als “the Golden Age of the Barbarians”.

Natuurlijk was de “natuurtoestand” waarin deze voorvaderen van ons leefden, geen aards paradijs, maar er is volgens hem ook geen reden om aan te nemen dat het leven echt zo beroerd was als Hobbes veronderstelde. De voedselvoorziening was waarschijnlijk goed op orde:

“Long before the deliberate planting of seeds in ploughed fields, foragers had developed all the harvest tools, winnowing baskets, grindstones and mortals and pestles to process wild grains and pulses. One scientist has shown that in Anatolia there are wild wheats that can be gathered with a flint sickle in three weeks to feed a family for a year.”

Zelfs rond 2000 BCE, meer dan duizend jaar na het ontstaan van de eerste staten, was de staat bij lange na niet de dominante politieke structuur in de wereld. Integendeel, je kon in die tijd nog steeds de wereld rond reizen zonder een belastinginspecteur of douanier tegen te komen:

“[States] were a mere smudge on the map of the ancient world and not much more than a rounding error in total global population estimated at roughly 25 million. Most of the world’s population continued to live outside the immediate grasp of states and their taxes for a very long time. … In much of the world there was no state at all until quite recently.”

Waarom de eerste staten uiteindelijk toch geleidelijk steeds dominanter werden, is volgens Scott niet zeker. In de schoolboekjes leren we (ik kan me dat althans herinneren uit mijn schooltijd) dat staten in staat waren om grote irrigatiewerken te organiseren waardoor de productie van voedsel kon worden opgeschroefd, maar ook dat blijkt een sprookje als we Scott mogen geloven. Het berust op het misverstand dat het zuiden van Mesopotamië, waar de irrigatiewerken werden uitgevoerd, 8500 jaar geleden net zo droog was als tegenwoordig, maar dat was niet zo. Het was een moerasgebied waar de barbaren vrij en blij leefden in nederzettingen van tot wel duizend mensen.

Waar staten hun succes waarschijnlijk aan te danken hadden, zegt Scott, en waar ze in elk geval in uitblonken, is domesticatie: van dieren, planten – met name granen, die door hun uniformiteit ook konden dienen als betaalmiddel en grondslag voor belastingheffing – en bovenal van mensen. De USP van de eerste staten was hun vermogen om slaven te vergaren en in te zetten als werkkrachten:

“The imperative of collecting people, settling them close to the core of power, holding them there, and having them produce a surplus in excess of their own needs animates much of early statecraft. …. Evidence for the extensive use of unfree labor – war captives, indentured servitude, temple slavery, slave markets, forced resettlement in labor colonies, convict labor and communal slavery (for example, Sparta’s helots) – is overwhelming.”

Slavernij werd weliswaar niet uitgevonden door de staat, schrijft Scott, maar:

“the early state elaborated and scaled up the institution of slavery as an essential means to maximize its productive population and the surplus it could appropriate. It would be almost impossible to exaggerate the centrality of bondage … in the development of the state until very recently…. As late as 1800 roughly three-quarters of the world’s population could be said to be living in bondage. In Southeast Asia all early states were slave states and slaving states; the most valuable cargo of Malay traders in insular southeast Asia were, until the late 19th century, slaves.”

Ook de oude Grieken en Romeinen, om een ander voorbeeld te noemen, piekerden er niet over om zelf de kost te verdienen. Daar hadden zij hun hulpjes voor:

“Imperial Rome … turned much of the Mediterranean basin into a massive slave emporium…. In the classical world slaves became a unit of measurement, at one point in Athens a pair of working mules was worth three slaves.”

Slaven werden zo slecht behandeld dat ze zich niet voortplantten. De staten moesten daarom voortdurend hun voorraad aanvullen. Dat deden ze door oorlogen en plunderingen en door slaven te kopen van de barbaren.

Het was dus niet zo, stelt Scott, dat barbaren zich spontaan aanmeldden om in de grote stad te mogen wonen en een sociaal contract kregen voorgeschoteld van de machthebbers:

“The vision of the state, one dear to the heart of such social-contract theorists as Hobbes and Locke, as a magnet of civil peace, social order and freedom from fear, drawing people in by its charisma … [has to be] reexamined.”

Het was eerder andersom: de staten moesten voortdurend oppassen dat slaven niet wisten te ontsnappen. De wetboeken in de eerste staten, zoals de beroemde Codex Hammurabi, stonden vol met straffen voor wie het waagde slaven daarbij te helpen. De Chinese Muur, merkt Scott ook nog op, diende er niet alleen voor om slecht volk buiten de deur te houden maar ook om de belastingbetaler binnen te houden.

De rol van dwangarbeid en slavernij was zo essentieel voor het behoud van staatsmacht, stelt Scott, dat het moeilijk voor te stellen is dat staten lang hadden kunnen voortbestaan zonder dwangarbeiders en slaven.” Zijn eindconclusie: “no slavery, no state.”

De moraal: staten zijn niet ontstaan om mensen te beschermen tegen chaos en geweld, maar om een kleine machtselite aan een dikke boterham te helpen zonder dat ze er zelf iets voor hoefden te doen. Wat dat betreft is er niet veel veranderd.

Het eerste deel in deze nieuwe serie vindt u hier:
Libertarisch Schetsboek (1) – Vrijheid komt van de straat, niet van de staat

14 REACTIES

  1. Het leven in de natuurtoestand in een koud huis omringd door andere koude huizen zonder natuur van betekenis dus ook geen dieren om te vangen of te houden en groente te verbouwen is tot mislukken gedoemd. Mensen weten hoe ze een brasem of voorntje weten te vangen maar die zijn zo op uit de plaatselijke vijver.

  2. Als ik mij niet vergis leefde Thomas Hobbes ten tijde van de Reformatie, meer precies: ten tijde van de 30 jarige oorlog en de opstand van de Lage Landen tegen de Spanjaarden. Met name de 30 jarige oorlog was buitengewoon bloedig. Op plaatsen in Centraal Europa werd tweederde van de bevolking vermoord. Deze situatie kwam pas tot een eind met de vrede van Westfalen in 1648, wat tevens wordt gezien als het begin van de natiestaat. Thomas Hobbes was de leidende intellectuele kracht achter de vorming van die natiestaat.

    Natuurlijk zit er een logicafout in ‘homo homini lupus est’. Net zoals bestuurders van hetzelfde materiaal gemaakt zijn als degene die zij besturen. Desalniettemin waren de ordebewakers voor het ontstaan van de natiestaat niet in staat om de geweldsspiraal te beteugelen. Waarschijnlijk bewijst dit dat je alleen een vredelievende samenleving kunt hebben wanneer de mensen daar dezelfde gebruiken en zienswijzes delen; met andere woorden: dezelfde religie of pseudo-religieuze overtuigingen delen. Ik definieer religie hier als een set gecodificeerde gebruiken en waardes. Zodra die gebruiken en zienswijzes diametraal gaan verschillen verandert vertrouwen in wantrouwen, samenwerken in tegenwerken, ontstaan woede en oorlog. Enkel grof geweld kan die situatie neutraliseren. Kortom, de staat is zeker geen oplossing. Maar de staat is evenmin de oorzaak van de problemen.

    • @Youp.
      Stelling: “Waarschijnlijk bewijst dit dat je alleen een vredelievende samenleving kunt hebben wanneer de mensen daar dezelfde gebruiken en zienswijzes delen”.

      Eens. Een zeer belangrijke en essentiële inbreng bij het ontwerp van een duurzame samenleving; homogeniteit.

      Een homogeen volk is een duurzaam volk, wegens broederliefde. Een heterogeen volk is geen volk en gaat op den duur aan onderlinge strijd ten onder.

      Graag wil ik van de gelegenheid gebruik maken om een algemeen misverstand uit de weg te ruimen. In Nederland wordt de multi-culturele samenleving vaak gezien als bron van verdeeldheid. Dit is onjuist. Een multi-culturele samenleving kan wel degelijk homogeen zijn, zolang dezelfde uitgangspunten, omgangsvormen en doelen worden gedeeld. Kleur, leeftijd etc. staan daar los van.

      • Dank, maar een multiculturele samenleving is per definitie heterogeen en problematisch. Je kunt nu eenmaal niet tegelijkertijd homosexualiteit toestaan als verbieden, vrouwen zowel gelijk als ongelijk behandelen, kindhuwelijken toestaan en verbieden, slavernij veroordelen en toejuichen, of tegelijk aan de linkerkant als aan de rechterkant van de weg rijden. Dat geeft problemen. Een multi-ethnische samenleving is wel mogelijk, vooropgesteld dat iedereen zich aan dezelfde morele dogma’s onderwerpt. Om het zo maar even te zeggen. Dat wil zeggen: dezelfde cultuur deelt. Een monocultuur is een voorwaarde voor vreedzaam samenwonen.

      • @Youp.
        U haalt kenmerken van twee verschillende samenlevingsvormen door elkaar die ieder apart duurzaam zijn (homogeen), maar gemengd niet duurzaam zijn (heterogeen). Dit omdat ze verschillen op de hoofdlijnen van met name uitgangspunt, kader en doel:

        A.
        Uitgangspunt : grondrechten van vrijheid en veiligheid volgens de UVRM /VN;
        Kader : grondwet en nationale wetten;
        Doel : pursuit of happiness (carpe diem)
        (Bekend als rechtstaat).

        B.
        Uitgangspunt : dogmatisme volgens de Cairo Verklaring / VN;
        Kader : sharia recht;
        Doel : wil van God (memento mori)
        (Bekend als theocratische staat).

    • @Youp. Je hebt het over de dertigjarige oorlog. Die heel veel leed heeft gebracht. Was dit een oorlog tussen mensen, tussen burgers? Neen, dit was een oorlog tussen staten. Je hebt het over natiestaten. Besef svp dat natiestaten ook geregeld tegen elkaar oorlog hebben gevoerd. Hoeveel oorlogen zijn er nog gevoerd na 1648? Ontelbaar veel alleen al in Europa. Die bloederiger werden naarmate de burgers zich meer met het land identificeerden. Oorlog ontstaat indien bepaalde belangengroepen daar belang bij hebben. Ik snap deze zin niet ***Enkel grof geweld kan die situatie neutraliseren*** Oorlog is grof geweld. Is oorlog dan de oplossing? Of is grof geweld volgens jou noodzaak om alle neuzen in een land dezelfde kant op te laten kijken?

      • https://nl.wikipedia.org/wiki/Dertigjarige_Oorlog

        De dertigjarige oorlog liep van 1618 tot 1648 en vond plaats hoofdzakelijk binnen het Heilige Roomse Rijk. Dat waren geen staten zoals een natiestaat, maar een losse verzameling politieke entiteiten in een haast anarchistische setting. Mischien dat de prinsen en andere monarchen hun bevolking tegen anderen hebben opgehitst, zij worden immers ook meegesleurd in het vuur van de strijd, veel zal daar niet voor nodig zijn geweest. Het begin van de natiestaat wordt over het algemeen geplaatst in 1648, dus na afloop van oa de dertigjarige oorlog. Je uitspraak dat het een oorlog is van staten die hun respectievelijke bevolking tegen elkaar hebben opgezet is daarmee feitelijk onjuist.

        https://nl.wikipedia.org/wiki/Heilige_Roomse_Rijk
        Het was geen staat in de moderne betekenis van het woord, maar een politiek verband van wereldlijke en kerkelijke gebieden die direct of indirect onderworpen waren aan de soevereiniteit van de Rooms-Duitse keizer of koning.[4]
        De relatie van de keizer met zijn gebieden veranderde herhaaldelijk, evenals zijn machtsbereik. Een deel van het Rijk stond onder zijn persoonlijke controle, de overige gebieden bestonden uit een groot aantal hertogdommen, graafschappen, prinsdommen, bisdommen, aartsbisdommen en vrijsteden en rijkssteden. De samenhang tussen deze gebieden nam in de loop van de middeleeuwen eerder af dan toe. In de late 15e en vroege 16e eeuw werden voor het Duitse deel van het rijk een aantal gemeenschappelijke instituties geschapen, zoals de Rijksdag, het Rijkskamergerecht als hoogste juridische instantie, en de kreitsen.

        Met de intocht van de protestante doctrines en de verspreiding ervan via de boekdrukkunst valt de verbindende gemeenschappelijk cultuur uit elkaar en is vreedzaam samenwerken niet langer mogelijk.

        Probeer het als volgt te begrijpen. Als jij met andere libertariërs bij elkaar bent, deel je een heleboel gelijke inzichten. Dat schept een vertrouwensband omdat je ervan uit kunt gaan dat een aantal zaken die jij heel belangrijk vind zoals: respect voor eigendom, vrije keuze, het NAP door de rest gedeeld wordt. Je voelt je op je gemak en samenwerken, afspraken maken, zaken doen, het gaat allemaal met het gemak van een verkwikkend zomerbriesje.

        Vergelijk dat eens met een congres voor internationale of nationalistische socialisten waar je verzeild bent geraakt, of misschien nog erger, een samenscholing van militante feministes. Je deelt niets met die mensen en zij niet met jou. Er is enkel wantrouwen, afkeer. Nauwelijks enige basis voor vrijwilige samenwerking. Waarschijnlijk zul je snel weggaan. Als dat niet mogelijk is dreigt geweld, verbaal en/of fysiek. Zo gaat dat ook in een samenleving. Wanneer de helft van de bevolking uit militante feministes bestaat, gaat dat problemen opleveren, net zoals de splitsing tussen katholieken en protestanten grote problemen heeft opleverd. De vaststelling dat er economische motieven zijn voor mensen om vreedzaam met elkaar samen te werken is juist, maar onvoldoende.

        Kortom, een vreedzame, welvarende samenleving is enkel mogelijk bij ruime morele congruentie. Dán zal er nauwelijks recht en orde nodig zijn en kun je gelijk Liechtenstein een politiemacht van 2 dozijn agenten en een hond erop nahouden; die waarschijnlijk weinig anders te doen hebben dat een dronkelap tot de orde roepen.

        Wanneer je steeds hamert op het feit dat de staat slecht is, maak je dezelfde fout als de mensen die zeggen dat de staat de slechtheid van de mensen moet corrigeren.
        Het is niet: de mensen zijn goed, de staat is slecht; evenmin: de mensen zijn slecht, de staat is goed.

        Er zal altijd een entiteit nodig zijn die moet toezien op het naleven van de morele afspraken. Hoe je dat ding ook noemt. Vele malen belangrijker is dat er consensus bestaat over die afspraken. Vandaar ook dat politieke decentralisatie zo belangrijk is.

        Ten slotte, het bereiken van morele overeenstemming is in essentie de functie van religie. De praatjes over God en de duivel zijn veel minder belangrijk.

  3. Dank voor het artikel; van toegevoegde waarde. Zeker ook de logische opbouw in relatie tot het eerste artikel.

    De reeks artikelen Libertarisch Schetsboek ziet er veelbelovend uit. Vraagje: is het mogelijk inzicht te geven in de komende onderwerpen?

    Even een opmerking v.w.b. de vorm, met name gebruik van het begrip ‘staat’.

    Het gebruik van het begrip ‘staat’ is verwarrend, omdat de overheid vereenzelvigt wordt met de staat. Dat is niet mogelijk bij hantering van de definitie dat een ‘staat’ bestaat uit een stuk grond met grenzen, inclusief een volk dat wordt bestuurd door een overheid.

    Dit brengt ook meteen meer klaarheid in de twee uitgangspunten bij de inrichting van een samenleving; staat en volk. De overheid is niets meer dan een vervolgens ingehuurde 3e partij door het volk om het bestuur van de samenleving te verzorgen in een staat.

    De beide actoren in een staat zijn dus het volk en de overheid. Het volk domineert de relatie met de overheid op basis van het volksgezag.

    Het gebruik van het woord staat voor overheid (of zelfs regering) is begrijpelijk, daar dit alom wordt gebezigd. Echter, bij discussie over inrichting van een samenleving is dit niet alleen storend, maar de opmaat naar een verkeerde uitkomst. Dit gebeurt dan ook met gebruik van het begrip “staatsmacht”. Dit dient dan ook ‘overheidsmacht’ te zijn. Want, een staat kan geen macht hebben daar het bestaat uit een lap grond met twee actoren. Gebruik van het container woord staatsmacht geeft ook niet aan waar de macht ligt. In ieder geval zeker niet bij het lap grond.

    Denk ook dat bij toepassing van een juiste definitie het eenvoudiger wordt om de het begrip “kleine machtselite” (onder paragraaf moraal, laatste alinea) te duiden. Dit is vooral van belang v.w.b. een juiste vijandidentificatie. Dit gezien de meest recente staatsgreep n.a.v. het Corona virus door de regering, in nauwe samenwerking met de volksvertegenwoordiging. Het is niet uitgesloten dat het politieke partijkartel hier achter zit, die op hun beurt ook wordt aangestuurd.

    Peace out.

    • dank voor je reactie
      lijkt me inderdaad een goed idee om in een van de volgende stukken duidelijk te maken wat ik onder een staat versta
      de reactie van Youp wijst er ook op dat dit nodig is, want hij/zij gaat ervan uit dat er ten tijde van de Reformatie een soort anarchisme heerste en er geen staten waren, ik zie dat anders, maar ik kom erop terug
      ik zal ook nadenken over een vooruitblik, ik heb onderwerpen op de rol maar niet echt een plan!

  4. If you don’t know where you’re going, any road will get you there. – Lewis Carroll

    Denk dan ook dat het ontwerp van een georganiseerde samenleving afhankelijk is van twee essentiële zaken: uitgangspunt en doel.

    En natuurlijk het besef dat ons verblijf op dit ondermaanse een doorgangshuis is of neutraler verwoord; van tijdelijke aard.

  5. @Voight-Kampff
    Precies, twee verschillende culturen. Een cultuur is weinig anders dan een set gebruiken en morele afspraken. Meestal gaan die niet of slechts heel moeizaam samen met andere culturen.

    Er zit ook een sterk Darwinistisch element aan culturen. De ene set morele afspraken en gebruiken zijn verstandiger dan andere. Sommige zijn succesvol, anderen sterven uit. Danwel omdat ze zich niet voortplanten, danwel omdat ze hun ondergang vinden op het slagveld. Zo waren er in het vroege Midden-Oosten een heleboel verschillende christelijke stromingen. De meeste daarvan zijn verdwenen. De indianen van Noord-Amerika, weggegvaagd! Aboriginals in Australië, ze kwijnen weg. Hun overlevingsstrategie is mislukt.

  6. Interessante vraag van u: “of het leven in de “natuurtoestand” echt zo beroerd is/was in vergelijking met het leven binnen een staat”?.

    Volgens mij heeft u er zelf antwoord op gegeven met uw logische conclusie. Terugtrekken is dan ook mijn strategie; terug naar de natuur.

    Bedankt voor het inspirerende artikel !

Comments are closed.