Het is 1980 en u gaat trouwen. Uw ouders besluiten uw huwelijk te vieren door 100 gasten uit te nodigen voor een receptie. De receptie kostte hen E 100 per persoon of E 10.000 in totaal.  Nu zijn we in 2018 BC (Before Corona) .  U organiseert een receptie voor uw kind. De gastenlijst is met 72 procent toegenomen. Maar in plaats van dat u  E 17.200 betaalt bedraagt ​​de rekening slechts E 4.816.  U denkt dat u droomt,  dat soort dingen gebeuren in het echte leven toch niet?

Toch is dat precies wat er is gebeurd met de betaalbaarheid van 50 basisproducten tussen 1980 en 2018. In die 38 jaar is de wereldbevolking gestegen van 4,458 miljard naar 7,631 miljard of 71,2 procent. In dezelfde periode werden basisgoederen, waaronder energie, voedsel, materialen en metalen, gemiddeld 71,6 procent betaalbaarder. Dat betekent dat de betaalbaarheid van ons mandje met grondstoffen elke 20 jaar verdubbelde. Deze relatie tussen bevolkingsgroei en overvloed aan hulpbronnen is zeer contra-intuïtief.

Generaties mensen over de hele wereld hebben geleerd te geloven dat er een omgekeerde relatie bestaat tussen bevolkingsgroei en beschikbaarheid van hulpbronnen, wat wil zeggen dat naarmate de bevolking groeit, hulpbronnen ‘schaarser’ worden. Dat was historisch gezien waar. In de dierenwereld leidt een plotselinge toename van de beschikbaarheid van hulpbronnen, zoals gras na ongewoon veel regen, tot een explosie van de dierenpopulatie. De bevolkingsexplosie leidt dan tot uitputting van middelen. Ten slotte leidt de uitputting van middelen tot ineenstorting van de bevolking. 

In de loop van de tijd hebben mensen echter geavanceerde vormen van samenwerking ontwikkeld die hun rijkdom en overlevingskansen vergroten. Denk bijvoorbeeld aan handel en ruil. Zoals de Britse schrijver Matt Ridley opmerkte in zijn boek The Rational Optimist: “Er wordt opvallend weinig gebruik gemaakt van ruilhandel bij andere diersoorten. Er wordt gedeeld binnen families, maar er zijn geen gevallen waarin een dier een niet-verwant dier één ding geeft in ruil voor iets anders. ” Handel is vooral belangrijk tijdens hongersnoden. Een land dat door droogte wordt getroffen, kan bijvoorbeeld voedsel uit het buitenland kopen. Dit is geen optie voor dieren.

Maar het belangrijkste verschil is onze superieure intelligentie en het gebruik van die intelligentie om uit te vinden en te innoveren. “In zekere zin is alles technologie”, merkte Fernand Braudel (1902-1985) op in zijn boek Civilization and Capitalism.  We hebben gedurende vele millennia van vallen en opstaan ​​een schat aan kennis verzameld die ons in staat heeft gesteld om ergens tegen het einde van de 18e eeuw een ‘ escape velocity’  te bereiken – van schaarste naar overvloed. 

We meten overvloed in tijdprijzen. Een tijdprijs is de tijd die een persoon nodig heeft om te werken om genoeg geld te verdienen om iets te kopen. Het is de geldprijs gedeeld door het uurinkomen. Als een vat olie bijvoorbeeld E 75 kost en u verdient E 15 per uur, dan wordt de tijdprijs vijf uur. Als de olie daalt tot E 60 per vat en uw inkomen stijgt tot E 20 per uur, zal de tijdprijs dalen tot drie uur.  Tijdprijzen zijn om ten minste drie redenen veel logischer dan geldprijzen. Ten eerste vermijden tijdprijzen de subjectiviteit van veelgebruikte inflatiecorrecties. Ten tweede, aangezien innovatie zich vertaalt in zowel lagere prijzen als hogere inkomens (productievere mensen zijn beter betaalde mensen), vangen tijdprijzen beter de effecten van innovatie op. Ten derde zijn tijdprijzen onafhankelijk van valutaschommelingen. In plaats van de levensstandaard in India en de Verenigde Staten te meten door de voor koopkrachtpariteit gecorrigeerde prijzen van een liter melk in Indiase roepies en Amerikaanse dollars te vergelijken, bieden tijdprijzen een universele en gestandaardiseerde manier (uren en minuten) om veranderingen in welzijn te duiden.

De beroemde weddenschap tussen de econoom Julian Simon en de bioloog Paul Ehrlich was gebaseerd op de voor inflatie gecorrigeerde prijzen van vijf metalen: chroom, koper, nikkel, tin en wolfraam, en duurde van oktober 1980 tot oktober 1990. Ehrlich voorspelde dat metalen door de bevolkingsgroei duurder zouden worden. Simon voerde aan dat metalen door de bevolkingsgroei goedkoper zouden worden.

Ehrlich dacht als een bioloog, meer bevolking is uitputting hulpbronnen.  Simon, aan de andere kant, dacht als een econoom die de kracht van prikkels en het prijsmechanisme begreep om het tekort aan hulpbronnen te overwinnen. In plaats van naar de hoeveelheid grondstoffen, keek hij naar de prijzen van grondstoffen. Hij zag de schaarste van hulpbronnen als een tijdelijke uitdaging die kan worden opgelost door meer efficiëntie, meer aanbod, de ontwikkeling van vervangende middelen, enzovoort. De relatie tussen prijzen en innovatie, zo benadrukte hij, is dynamisch. Relatieve schaarste leidt tot hogere prijzen, hogere prijzen creëren prikkels voor innovaties en innovaties leiden tot overvloed. Schaarste wordt via het prijssysteem omgezet in overvloed. Het prijssysteem functioneert zolang de economie gebaseerd is op eigendomsrechten, de rechtsstaat en vrije markt. 

Zoals bekend, won Simon de weddenschap met Ehrlich toen de voor inflatie gecorrigeerde prijs van de vijf metalen tussen oktober 1980 en oktober 1990 met 36 procent daalde. Simon’s overwinning zou nog indrukwekkender zijn geweest als hij tijdprijzen had gebruikt.  Die daalden met 55 procent tussen 1980 en 1990.  Dus prijs de tijd waarin we leven. Ongeacht of je het eens bent met lockdowns of niet (complete waanzin al je het mij vraagt), een lockdown is alleen (even) mogelijk door de overvloed die innovaties en de vrije markt hebben bewerkstelligd. 

Originele artikel

Hijseenberg,  Oktober 2020

11 REACTIES

  1. Schaarste wordt via het prijssysteem omgezet in overvloed. Het prijssysteem functioneert zolang de economie gebaseerd is op eigendomsrechten, de rechtsstaat en vrije markt.

    Wederom en voor de zoveelste keer, bewezen.

  2. Het ziet er naar uit dat het gemiddelde iq wereldwijd gaat dalen. Dat zal leiden tot een meer animalistische manier van leven. Dat zal uiteindelijk zorgen voor de ineenstorting van moderne productiemiddelen, schaarste, gebrek en armoede.

  3. @Nico de Geit
    De daling van IQ in het westen is mij bekend. Dit omdat domme mensen meer kinderen krijgen dan slimmeriken waarbij in beide gevallen de kindersterfte laag is + nogal wat laag IQ import. Maar weet jij of het IQ ook daalt in Azie? en is dat volgens hetzelfde principe; ex laag IQ import?

    Overigens, on topic, tijdprijzen missen het verschil in kwaliteit van tijd. De tijd van een hersenchirurg heeft een andere prijs dan de tijd van de mevrouw die de WC’s schoonmaakt.

    • Yep, IQ’s dalen wereldwijd omdat ziektes en honger niet meer huis kunnen houden zoals voorheen.

    • ‘De tijd van een hersenchirurg heeft een andere prijs dan de tijd van de mevrouw die de WC’s schoonmaakt.’

      Het is allemaal vraag en aanbod. Als niemand wc’s schoon wil maken zal er meer betaald moeten worden om iemand te vinden. De stereotypen die mensen in hun kop hebben zitten sluiten vaak niet aan bij de werkelijkheid, de actuele situatie.

      Dat leidt nogal eens tot boosheid – een hoog opgeleid persoon is boos omdat een laag opgeleide in een duurdere auto rijdt dan hij. Eerstgenoemde meent dat hij recht heeft op een hogere beloning omdat hij langer op school heeft gezeten. Maar zo werkt het al lang niet meer.

  4. Edward Dutton heeft daar een hele serie filmpjes over: https://www.youtube.com/watch?v=zrsQY9Bw-kk Het gaat over iq, lager iq zal religiositeit als gevolg hebben, omdat er geen ziektes en honger meer zijn stapelen mutaties zich op, mutaties in uiterlijk, in het brein en het immuunsysteem, enz.

    • Ik heb Dutton en Woodley een hele tijd gevolgd. Recent wat minder omdat het toch vaak een herhaling van zetten betreft. Wat ik mij nog wel afvraag is het volgende: terwijl het gemiddelde IQ daalt, stijgt de totale hoeveelheid bevolking wat zou betekenen dat er, niet procentueel maar in absolute aantallen, toch erg veel hyperintelligente mensen overblijven waarmee de zogenaamde genius-strategy voor het overleven van de groep intact blijft. Ik weet dat Dutton & Woodley stellen dat het aantal belangrijke uitvindingen afneemt in vergelijking met de Industriele Revolutie. En eigenlijk in een vrij rechte lijn afneemt vanaf de top, wat een aardige indicator is voor dalend IQ. Echter, bij een sterk toegenomen wereldbevolking zou je verwachten dat er toch een indrukwekkende hoeveelheid outliers aan de bovenkant overblijft. Ofschoon hierbij meteen aangetekent moet worden dat Oostaziaten als Chinezen, Koreanen en Japanners weinig genieen produceren daar zij een meer volgzame en minder individualistische groepsstrategie volgen. Hmm, ik geloof dat ik inmiddels mijn eigen vraag beantwoord heb.

      • Dutton en Woodley of Menie wagen zich niet echt aan het voorspellen van de toekomst. De tijd waarin we nu zitten is te vergelijken met de neergang van het Romeinse Rijk. Het kan duizenden jaren duren voordat de weg omhoog weer is gevonden, als die überhaupt nog terugkeert.

  5. Ik kom af en toe mensen tegen die menen dat wat zij per uur verdienen zou moeten volstaan om mij een uur te laten werken. Een hoog idealistisch gehalte. Het zijn altijd laag-verdieners die zoiets aanbieden, nooit groot-verdieners.

    Een vorm van socialisme: mensen die niks hebben willen delen met anderen die wel iets hebben. Dat is een slechte deal voor mensen die iets hebben, maar dat schijnen de mensen die niets hebben niet te (willen/kunnen) begrijpen.

Comments are closed.